Kevin in de Chinese kamer

Kevin is de ideale stagiair.

Maar echt: Hij is negentien, komt iedere ochtend om vijf voor acht binnen en draagt een blauwe overall die na drie maanden nog steeds vrij blauw is. Dat laatste zegt volgens zijn begeleider Henk iets over zijn werktempo. Kevin denkt dat Henk een grapje maakt. Denkt hij wel vaker.

Op maandagochtend loopt Kevin naar brug vier. Daar staat een grijze stationwagen met een brandend storingslampje op het dashboard. Kevin sluit de uitleesapparatuur aan. Op het scherm verschijnt een foutcode.

Hij voert de code in het werkplaatsinformatiesysteem in en krijgt zeven stappen terug.

Kevin doorloopt ze allemaal.

Bij stap zes vervangt hij een sensor en start de auto opnieuw. Het lampje blijft uit. Kevin zet zeven vinkjes op het formulier en meldt zich bij Henk.

Henk kijkt naar het scherm.

“Mooi.”

Een uur later rijdt de auto de werkplaats uit. De klant is tevreden. Kevin heeft geen fout gemaakt en geen vraag gesteld. Ook wel lekker.

Aan het einde van de maand krijgt hij op ‘zelfstandig werken’ een acht.

De Chinese kamer

Dan heb ik toch een vraag.

Begrijpt Kevin wat hij heeft gedaan?

De Amerikaanse filosoof John Searle bedacht in 1980 een kamer waarin ongeveer hetzelfde gebeurt. In die kamer zit een man die geen Chinees spreekt. Door een gleuf in de deur krijgt hij briefjes met Chinese tekens. Voor hem zijn het krabbels. Hij weet niet of er ‘goedemorgen’ staat of dat iemand twaalf levende kippen heeft besteld op passief-aggressieve toon.

In de kamer ligt een vuistdik instructieboek. Daarin staat wat hij met ieder teken moet doen. Verschijnt dit teken, dan schrijf je dat teken terug. Verschijnen deze twee tekens naast elkaar, dan zoek je antwoord 54 op pagina 871.

De man bladert en schrijft. Daarna schuift hij zijn antwoord door de gleuf naar buiten.

Degene buiten de kamer leest een correct antwoord en trekt een simpele conclusie: die man daarbinnen spreekt Chinees.

Logisch, want alle antwoorden kloppen.

Alleen spreekt de man geen Chinees. Hij voert instructies uit. Hij heeft echt geen fláuw idee wat er op de briefjes staat.

Searle gebruikte de kamer in een discussie over kunstmatige intelligentie. Een computer verwerkt tekens volgens regels en produceert een passend antwoord. Aan de buitenkant ziet dat eruit als begrip. Aan het antwoord kun je alleen niet zien wat er binnen gebeurt.

Kevin doet bij brug vier ongeveer hetzelfde.

Hij krijgt geen Chinese tekens door een gleuf maar foutcodes op een tablet. Het werkplaatsinformatiesysteem vertelt hem welk onderdeel hij moet controleren. Kevin volgt de stappen en stuurt het juiste antwoord terug en voila: Een auto zonder brandend storingslampje.

Henk trekt zijn conclusie: Kevin kan deze storing zelfstandig oplossen.

Dat kan best zo zijn.

We hebben het alleen nog niet gezien.

De foutcode klopte en de nieuwe sensor deed het. Alles liep over het spoor dat iemand vooraf had aangelegd. Kevin hoefde nergens te kiezen. Hij hoefde vooral goed te lezen en geen schroefjes over te houden.

De link met stagenoordelingen

Veel stagebeoordelingen werken zo.

De taak is afgerond, het formulier is mooi ingevuld. De klant rijdt weg met een functionerend voertuig. Daarna zetten we een rondje om het woord ‘zelfstandig’.

Zelfstandig is een ruim woord. Kevin gebruikt een tablet waarop duizenden monteurs vóór hem hun kennis hebben achtergelaten. Hij loopt naar Henk zodra het systeem dat aangeeft. De fabrikant heeft al bepaald welke meting hij moet uitvoeren.

Dat hoort gewoon bij het vak. Henk gebruikt zelf ook uitleesapparatuur. Geen enkele monteur heeft een complete auto in zijn hoofd. Daar moet ook nog ruimte overblijven voor de opstelling van Ajax.

Henk klust ’s avonds namelijk bij als amateurcoach voor de televisie. Hij heeft een ESPN-abonnement en weet tijdens iedere wedstrijd precies wie er gewisseld had moeten worden.

Een vakman gebruikt kennis die overal in de werkplaats ligt opgeslagen. Een flink deel zit in apparaten. Veel kennis loopt wel gewoon rond met een koffiebeker en heet Henk.

De Chinese kamer is dus groter dan Kevin.

De hele werkplaats is zo’n kamer.

Kevin zit erin met zijn tablet. Henk staat twee bruggen verderop. Aan de muur hangen tekeningen. In de kast ligt gereedschap waarvan iedereen weet waar het hoort, behalve degene die het voor het laatst heeft gebruikt.

Samen krijgen ze de auto weer aan de praat.

School staat buiten de kamer.

Eens in de paar weken ontvangt school een ansichtkaart. Daarop staat dat het goed gaat met Kevin. Op een ansichtkaart gaat het altijd goed. Niemand schrijft vanaf de camping dat het luchtbed leegloopt, dat het best hard regent en dat vader sinds dinsdag opvallend zwijgend naast het chemisch toilet zit.

De ansichtkaart van Kevin heet een voortgangsformulier. Henk heeft aangekruist dat Kevin zelfstandig werkt. Kevin heeft ingevuld dat hij veel leert. De stagedocent leest het formulier en concludeert dat Kevin zich volgens plan ontwikkelt.

Hij bevindt zich ongeveer in dezelfde positie als degene buiten Searles kamer. Er komen goede antwoorden door de gleuf. Dus zal degene binnen het wel begrijpen.

Henk kan meer zien. Hij staat de hele dag bij Kevin in de kamer.

Hij kijkt alleen vaak de andere kant op.

Dat is ook logisch. Op brug drie staat een auto die om vier uur klaar moet zijn. De telefoon gaat weer. Iemand vraagt voor de derde keer of de winterbanden al gewisseld zijn. Henk begeleidt Kevin ondertussen. In veel bedrijven betekent dat ongeveer dat Kevin hem mag roepen zodra er iets misgaat.

Op gewone dagen gaat er gelukkig weinig mis. Kevin leest het scherm en voert de aangegeven stappen uit. Henk controleert achteraf of de auto werkt. Daarna gaat de volgende auto op de brug.

Is dit dan leren?

Op donderdag gebeurt er om 11.10 voor het eerst iets waar Henk als begeleider wat aan heeft.

Er staat opnieuw een auto met hetzelfde storingslampje. Kevin sluit de tablet aan en ziet dezelfde foutcode. Het systeem geeft opnieuw zeven stappen. Bij stap zes vervangt hij opnieuw de sensor.

Het lampje blijft branden. He? Kevin kijkt naar het scherm. Voert de foutcode nog een keer in. Dezelfde zeven stappen verschijnen.

Het boek weet het dus ook even niet. Hm…

Kevin kan de stappen gewoon opnieuw uitvoeren. Hij kan een tweede sensor uit het magazijn halen en hopen dat deze meer zin heeft in zijn werk. Misschien groeit de leerervaring dan vanzelf uit tot een verzekeringscasus. Dat is didactisch gezien ook een uitkomst, alleen wel eentje met een schadeformulier.

Kevin schuift de gereedschapslade open en pakt een tweede sensor.

Nu kan Henk wachten tot Kevin die ook heeft gemonteerd. Daarna weet hij in elk geval zeker dat Kevin het protocol heel zorgvuldig kan herhalen.

Doet hij niet.

Henk draait zich om.

“Waarom denk je dat de sensor kapot is?”

Kevin wijst naar de foutcode.

“Die zegt dat er een probleem met de sensor is.”

“Zegt hij dat?”

Kevin kijkt opnieuw naar het scherm.

Hier begint het leren zichtbaar te worden.

Henk geeft geen college over sensoren. Hij stelt één vraag waardoor Kevin opnieuw kijkt naar iets wat hij al dacht te hebben gezien.

Kevin leest de melding nog een keer. Dan pakt hij de multimeter. Even later ontdekt hij dat de sensor geen stroom krijgt. Er zit een breukje in de kabel.

Op maandag repareerde Kevin een auto.

Ging goed.

Maar op donderdag begint hij storingen te begrijpen.

Dat gebeurt zodra het systeem ophoudt het denkwerk voor hem te doen.

Een ervaren monteur volgt natuurlijk ook protocollen. Hij merkt alleen sneller wanneer de werkelijkheid zich niet aan het protocol houdt. Werkelijkheden hebben daar vaker last van. Ze lezen de instructies niet en tonen weinig gevoel voor kwaliteitsprocedures.

Een foutloos uitgevoerde taak zegt daarom minder dan we wel eens denken. De fout kan al uit het proces zijn verwijderd voordat Kevin begint. Iemand heeft de route uitgeschreven en alle lastige afslagen alvast voor hem genomen. Heel fijn. Ook wel beetje veilig.

Leren moet moeite kosten

Als we willen zien wat Kevin begrijpt, moeten we hem soms werk geven waarin iets ontbreekt.

Geef hem bijvoorbeeld eens een tekening met een ontbrekend detail. Laat hem een klantvraag uitzoeken waarop meerdere antwoorden mogelijk zijn. Vraag tijdens het werk waarom hij een bepaalde stap zet. Voedt die twijfel maar.

Dan komt er iets anders door de brievenbus dan een ingevuld formulier.

Kevin kijkt opnieuw en probeert iets. Af entoe vraagt hij Henk om mee te kijken. Een andere keer kiest hij verkeerd en ontdekt hij waarom dat niet handig was. Henk zorgt er wel voor dat die fouten niet voor rokende apparaten zorgt.

Dat vertelt Henk veel meer dan de mededeling dat Kevin netjes werkt en goed in het team ligt. Dat laatste staat ongeveer op ieder stageformulier, meestal vlak boven ‘mag meer initiatief tonen’.

Kevin uit de eerste alinea wordt zo best lastig om te beoordelen.

Hij komt nog steeds op tijd. Zijn auto’s rijden de werkplaats uit en komen niet terug met boze klanten. Hij stelt weinig vragen. Het kan zijn dat hij het vak snel doorziet. Het kan ook zijn dat hij vooral erg goed is geworden in het bedienen van het boek.

Zolang alles volgens plan verloopt, zien die twee er hetzelfde uit.

Henk hoeft hiervoor geen filosoof te worden, hij is al parttime assisnten coach bij Ajax.

Een toga tussen de hefbruggen lijkt mij sowieso een arbo-incident in slowmotion. Hij hoeft alleen soms zijn eigen werk neer te leggen en te kijken wat Kevin doet zodra het antwoord niet op het schermpje verschijnt.

Op vrijdag krijgt Kevin weer een auto met een storingslampje.

Hij leest de foutcode en pakt hij de multimeter.

Henk ziet het vanuit zijn ooghoek, glimlacht even en werkt verder.

Volgende
Volgende

Hoeveel uur?