Hoeveel uur?

Ik heb een vraag voor je.

Hoeveel uur kost het begeleiden van een stagiair?

Misschien weet je het. Omdat jouw organisatie de uren gewoon begroot, praktijkopleiders vrijroostert en niet doet alsof begeleiden spontaan ontstaat zodra je een student en een medewerker bij elkaar in een ruimte zet.

Gefeliciteerd. Je bent een uitzondering.

Want even eerlijk? Collectief hebben we geen idee.

En dat is vreemd.

En problematisch.

Hieronder leg ik uit waarom en geef ik wel antwoord op die vraag (althans, ik doe een poging)

Het mbo telt alles.

De uren van de student staan in de praktijkovereenkomst en zijn jarenlang door de inspectie nagerekend alsof ergens tussen uur 639 en 640 de beschaving instort. Logisch ook: er hangt bekostiging aan: Geld. En zodra ergens publiek geld aan hangt, verschijnt in Nederland vanzelf een urennorm, een verantwoordingskader en iemand die vraagt of het formulier ook als pdf beschikbaar is.

Sinds schooljaar 2024-2025 geldt vanuit het Stagepact bovendien de afspraak dat de school tijdens de stage drie keer contact heeft met de student, waarvan minstens één keer op de werkvloer. Daar zijn volgsystemen voor, stappenplannen en handboeken met bijlagen. Zonder bijlage heeft een afspraak in het mbo ongeveer de juridische status van een informele suggestie bij de koffieautomaat.

Je zou denken dat een stelsel dat zo precies bijhoudt hoeveel uur de student aanwezig is, hoe vaak de school belt en wanneer iemand daadwerkelijk bij het leerbedrijf door de deur komt, ook weet hoeveel tijd de praktijkopleider aan diezelfde student besteedt.

Nee dus.

Voor de belangrijkste begeleider; degene op de werkvloer, bestaat geen landelijke norm, geen periodieke registratie en niet eens een lullig vakje. Sommige bedrijven organiseren die tijd uitstekend. Ze begroten begeleiding, roosteren praktijkopleiders vrij en leiden hen op. Andere bedrijven doen dat niet. En wij hebben besloten dat dit bij elkaar een stelsel is.

Het bekendste Nederlandse getal is 2,7 uur begeleiding per week. Dat komt uit 2006. Toen bestond de eerste iPhone nog niet, Hyves wel en vonden mensen een TomTom met zuignap aan de voorruit het toppunt van technologische vooruitgang. Twintig jaar later rijden we elektrisch, vergaderen we met video, kan een student zijn huiswerk met AI maken en zijn aanwezigheid met een QR-code registreren. Maar voor de tijd van de praktijkopleider gebruiken we nog steeds hetzelfde getal: 2,7 uur. Als we al een getal gebruiken.

Dat gebrekkige inzicht is helaas geen onschuldig administratief schoonheidsfoutje.

Want tijd die niemand zichtbaar maakt, wordt zelden begroot en nog minder vaak ingeroosterd. Dan begeleidt Henk de stagiair ‘tussendoor’, tussen twee klanten, patiënten of storingen. De student krijgt eenvoudige klusjes, Henk loopt achter en het bedrijf denkt bij de volgende stageaanvraag: nu maar even niet.

Vervolgens organiseren we een congres over het stagetekort. Met ronde tafels. We ‘hopen’ dat bedrijven hun deuren openstellen.

Mooi, maar die olifant in de kamer blijft wel staan.

Hoop is een prima basis voor een kraslot. Voor arbeidsmarktbeleid is het wat dunnetjes.

In het kort. Een algemeen aanvaarde landelijke urennorm voor de begeleiding van stagiairs bestaat niet. Het meest bekende Nederlandse planningsgetal komt uit 2006: gemiddeld 2,7 uur per week voor een bol-stagiair en 5 uur voor een bbl-leerling. Een werkgeversmeting uit 2024 komt bij benadering in dezelfde buurt uit, maar laat ook een enorme spreiding zien. Duitsland meet breder en structureel en komt op 18,2 uur per week in het duale stelsel; omgerekend naar daadwerkelijk verloren arbeid is dat ongeveer 7 uur. De kern is niet dat Nederland morgen één heilig getal in marmer moet hakken. De kern is dat we naast de studentenklok een begeleidersklok nodig hebben: Een klok die de werkelijke begeleidingstijd van een begeleider meet. Maak daar per stage afspraken over, rooster die tijd in en zet t op de begroting. Want het tekort aan stageplekken is voor een belangrijk deel een tekort aan opleidingscapaciteit.

De studentenklok en de ontbrekende begeleidersklok

De inrichting van het stelsel verklaart veel. In Nederland geldt de stage als onderwijstijd van de student. Daarom telt de overheid hoeveel uren de student maakt en wat de school hiermee doet. Het uur van de praktijkopleider in een bedrijf wordt betaald uit het personeelsbudget van het bedrijf. De monteur kan twee uur uitleggen en de verpleegkundige een halve dienst corrigeren terwijl mevrouw De Wit wat langer moet wachten. Allemaal geweldig als een bedrijf daar tijd voor vrijmaakt; Voor de nationale onderwijsboekhouding gebeurt er niets.

Dit brengt ons in een vreemde situatie: Voor het beroepsonderwijs bestaat het onderwijsuur van de student (het uur dat de student in een lokaal met een docent enzo zit), terwijl het opleidingsuur van de begeleider vooral als goed werkgeverschap wordt gezien, lokaal roosterwerk of mondelinge overlevering van een Drentse sage.

Dat betekent dus niet dat bedrijven niets regelen; Veel leerbedrijven investeren juist serieus in praktijkopleiders, opleidingen, begeleidingsstructuren en tijd. En daardoor gaan veel stages goed. Maar het stelsel maakt die inzet niet zichtbaar en stelt er geen concrete capaciteitsvraag tegenover.

We laten dus aan ieder bedrijf afzonderlijk over hoeveel begeleiding nodig is en of daar tijd voor bestaat.

Soms gebeurt dat voortreffelijk. Soms moet Henk het erbij doen.

De vraag is daarom groter dan hoeveel uur één stagiair gemiddeld kost.

De werkelijke vraag is: Hoeveel arbeid leveren mensen in bedrijven om van stage-uren daadwerkelijk onderwijs te maken, en waarom telt Nederland die arbeid niet structureel?

2,7 uur per week: het cijfer uit 2006

Ok, waar hebben we het over: In oktober 2006 verschijnt een rapport van bureau DIJK12, geschreven door Boukje Detmar en Irene de Vries. Veertien brancheorganisaties, van slagers tot installateurs, willen samen met MKB-Nederland weten wat het opleiden van mbo-studenten hun leden kost. De onderzoekers bevragen 134 ervaren leerbedrijven in zeven sectoren via een enquête en in workshops, over het jaar 2005.

Uit die antwoorden rolt het getal dat volgens mij sindsdien door rapporten, beleidsstukken en presentaties wordt doorgegeven alsof het een olympische fakkel is. Een bedrijf besteedt gemiddeld 2,7 uur per week aan de begeleiding van een bol-stagiair. Voor een bbl-leerling is dat 5 uur.

De bol-stage duurt in dit onderzoek gemiddeld 34 werkdagen, ongeveer zeven weken. Voor één bol-stagiair komt de begeleiding in een bedrijf daarmee uit op 16,2 uur: ruim twee werkdagen uitleggen, meekijken, overleggen, beoordelen en vermoedelijk één keer aan een collega vragen waar dat formulier ook alweer staat.

Kosten? Tegen het destijds gebruikte tarief van €35 per uur is dat €567 aan tijd die je aan begeleiding kwijt bent als bedrijf.

Ongeveer de helft van de tijd gaat rechtstreeks naar de stagiair: uitleggen, voordoen, meekijken en voorkomen dat iemand enthousiast begint op een plek waar enthousiasme vooral extra herstelwerk oplevert. De andere helft gaat naar overleg en papier. Een stagiair begeleiden betekent in Nederland namelijk niet alleen met een jongere praten. Het betekent ook met iedereen óver die jongere praten en daarna opschrijven dat er met iedereen over is gepraat.

Maar het gemiddelde van 2,7 uur draagt een jas die zeven sectoren tegelijk moet passen. Zoals dat meestal gaat met één jas voor zeven sectoren: bij niemand zit hij echt goed.

Begeleidingstijd per leerling, in uren per week (2005)
SectorBbl-leerlingBol-stagiair
Kinderopvang, welzijn en jeugdzorg7,71,3
Agrarisch loonwerk (Cumela)7,43,4
Hoveniers en groenvoorzieners6,22,7
Ambacht*5,42,3
Metaalbewerking41,7
Detailhandel2,74
Installatie1,92,1
Gemiddeld in de zeven sectoren52,7
In oranje: de twee sectoren waar een bol-stagiair meer tijd kost dan een bbl-leerling. * De bol-cijfers voor het ambacht betreffen alleen de schoonheids- en voetverzorging. Bron: Detmar en De Vries, Opleiden in de beroepspraktijk, DIJK12 Beleidsonderzoek, 2006.

De verschillen zijn best wel groot zoals je ook in de tabel ziet . Bij bbl loopt de begeleidingstijd uiteen van 1,9 uur per week in de installatie tot 7,7 uur in kinderopvang, welzijn en jeugdzorg. Bij bol draait het beeld deels om: de detailhandel komt met 4 uur bovenaan, terwijl kinderopvang en welzijn op 1,3 uur uitkomen. In de winkel en installatie kost een bol-stagiair meer begeleidingstijd dan een bbl-leerling die vier dagen per week in het bedrijf werkt.

Dat kan allemaal. Bol en bbl hebben andere ritmes, posities en taken. Maar het maakt één ding glashelder: ‘de gemiddelde stagiair’ bestaat vooral in onderzoeksrapporten. Op de werkvloer is hij nooit in het wild gesignaleerd. Wie één gemiddelde over zeven sectoren legt, weet vooral iets over geen enkele sector in het bijzonder. Eigenlijk niets dus.

Belangrijker is wat de bedrijven zelf in 2006 al zeggen in het rapport van Dijk12. Leerbedrijven zitten naar eigen zeggen aan de grens van wat bedrijfseconomisch nog kan. Een deel van de begeleiding gebeurt buiten werktijd, omdat het gewone werk er overdag geen ruimte voor laat. Zes op de tien bedrijven zien de benodigde tijd toenemen. De onderzoekers rekenen een stijging van de helft tot het dubbele sinds begin jaren negentig. Vroeger, zeggen de bedrijven, vonden voortgangsgesprekken tijdens het werk plaats. Nu moet het formeler en moeten er verslagen van worden gemaakt.

Mind you: Het is hier 2005. Personeel is nog te vinden. Axel F van de Crazy Frog (die irritante ringtone) staat in de hitlijsten; dat jaar. Toch waarschuwen de bedrijven dan al: onze tijd heeft grenzen en als de investering die jullie van ons vragen blijft stijgen, komt de bereidheid om op te leiden in gevaar. Het signaal is dus twintig jaar oud.

Ingeroosterd of niet: begeleidingstijd in de zorg

Vier jaar later kijkt het Nivel samen met Andersson Elffers Felix naar de zorg. Van de 848 verpleegkundigen en verzorgenden die een vragenlijst invullen, begeleiden er 280 op dat moment een stagiair. De vraag is deze keer niet alleen hoeveel tijd zij besteden, maar ook hoeveel tijd zij ervoor krijgen.

Drie op de tien krijgen begeleidingstijd ingeroosterd. Drie op de tien krijgen niets. Vier op de tien weten niet of er überhaupt iets is ingeroosterd. Wie het wel weet, ziet gemiddeld 1,73 uur per week op het rooster staan. Werkelijk besteed wordt 3,45 uur, en dat noemen de onderzoekers nog een voorzichtige schatting.

Het gat is dus minstens 1,7 uur per week (tussen 1,73 en 3,45 uur). De begeleiders die tevreden zijn over hun tijd besteden overigens niet meer uren dan hun ontevreden collega’s. Ze hebben er alleen meer van op papier. Van die uren bedoel ik. En dat is geen detail want zichtbare tijd is planbare tijd. Onzichtbare tijd wordt overwerk, haast, lastig en dientengevolge eenvoudigweg minder begeleiding.

Duitsland telt breder en blijft meten

Daarna wordt het in Nederland ruim tien jaar stil. Duitsland meet intussen op haar eigen manier en dat is heul interessant.
Het ‘Bundesinstitut für Berufsbildung’, het BIBB, onderzoekt sinds 2007 ongeveer iedere vijf jaar bij duizenden leerbedrijven hoeveel tijd medewerkers aan leerlingen besteden. Voor de meest recente meting (2025)zijn 3.207 leerbedrijven bevraagd over opleidingsjaar 2022/23. Opleidingsverantwoordelijken schatten in deze meting hoeveel uren alle betrokken medewerkers in een gewone week aan leerlingen besteden.

Gewone medewerkers voor wie opleiden niet de hoofdtaak is, besteden gemiddeld 19 uur per leerling per week aan opleiding. Daarvan bestaat 6,2 uur uit volledige aandacht. De vakkracht of leidinggevende legt dan het eigen werk neer om uit te leggen, voor te doen of te beoordelen. De overige 12,8 uur vindt plaats tijdens het gewone werk: de medewerker werkt door terwijl de leerling meekijkt, meehelpt en ondertussen leert waarom iets zo moet en waarom Jantien zo boos kijkt als jij de laatste banaan opeet.

Professionele opleiders, mensen voor wie opleiden wél de hoofdtaak is, komen daar nog bij. BIBB heeft hun bijdrage in de nieuwste publieksweergave niet opgenomen in één gecombineerd weektotaal. Bij de vorige meting, over 2017/18, was hun aandeel met gemiddeld 0,2 uur per leerling eigenlijk te klein. De volledige optelsom kwam toen uit op 18,2 uur. En nu dus op 19 uur.

Ok dan zie ik je met grote ogen kijken. 19 uur? Per leerling? Holiemolie!

Naast de Nederlandse 2,7 uur voor bol en 5 uur voor bbl klinkt 19 uur alsof iedere Duitse leerling de halve week beschikt over een persoonlijke vakman met helm, gereedschapskist gevulde koeken en onverdeelde aandacht.

Dat is niet zo. Bijna twee derde van die 19 uur bestaat uit begeleiding tijdens het gewone werk.

Het verschil zit dus niet alleen in hoeveel Duitsland begeleidt, maar vooral in wat Duitsland meet. Het telt ook de aanwijzingen mee bij de machine, de uitleg tijdens de behandeling van mevrouw de Wit in verzorgingshuis Avondrood en de collega die even meekijkt als Jens z’n eerste APK zelfstandig doet.

Precies de uren die in Nederland verdwijnen in het woord ‘tussendoor’.

Het Duitse cijfer bestaat daarmee uit twee flinke lagen, een soort Schwarzwälder Kirschtorte die je voor gebruik even moet opensnijden.

Laag één is de volledige aandacht: 6,2 uur waarin een vakkracht of leidinggevende het gewone werk even stopzet en zich volledig met de leerling bezighoudt. Uitleggen, voordoen, bespreken en beoordelen. Dit lijkt nog het meest op de begeleiding die Nederlandse onderzoeken proberen te meten, al is de vergelijking niet zuiver. In het Nederlandse cijfer van 5 uur voor een bbl-leerling zitten namelijk ook overleg en papier. Maar komt in de buurt.

Laag twee is de dikke laag: 12,8 uur waarin de medewerker gewoon doorwerkt en de leerling meekijkt, meehelpt en tijdens het werk uitleg krijgt. De monteur monteert, de leerling houdt vast en hoort ondertussen waarom het zo moet. Meelopen dus. Onthoud dat woord.

6,2 plus 12,8. Dat is 19 uur. En de kleine bijdrage van professionele opleiders komt daar nog bij.

Zit je bij dat grote getal, die 12,8 uur ‘tussendoor tijd’ wel met de vraag: Kost die tijd dan misschien productiviteit? Nou, dat lijkt mee te valen. Voor de nieuwste meting heeft BIBB in de publieksweergave geen gemiddeld productiviteitsverlies gepubliceerd. Bij de vorige meting, over 2017/18, deed het instituut dat wel. Toen stond 12,7 uur van de begeleiding uit die tussendoor tijd, tijdens het gewone werk.

Tijdens die 12,7 uur daalde de productiviteit van de medewerker gemiddeld met 11 procent.

Bij ongeveer vier op de tien bedrijven was het geschatte productiviteitsverlies zelfs nul.

Als in: Niks. Geen productiviteitsverlies gemeten.

Begeleiding per leerling per week in het Duitse duale stelsel, in uren

05101520 uur 12,0 4,6 16,7 2007 14,0 5,2 19,5 2012/13 12,7 5,3 18,2 2017/18 Meelopen naast het gewone werk Volle aandacht Beroepsopleiders
Uren per leerling per week, schattingen van de bedrijven over één septemberweek. Beroepsopleiders (0,1 / 0,3 / 0,2 uur) als dun laagje onderin. Bron: Schönfeld, Wenzelmann en Pfeifer, Struktur und Aufwand des betrieblichen Ausbildungspersonals, BIBB, 2024.

Dus voordat we van Duitsland een begeleidingsparadijs met persoonlijke leermeesters en gratis braadworst maken, moeten de Nederlandse en Duitse meetlat naast elkaar.

Twee meetlatten naast elkaar: begeleiding per leerling per week
Wat telt meeDuitsland
duale leerling, 2017/18
Nederland
bbl-leerling, 2005
Volle aandacht voor de leerling5,5 uur5,3 vakkrachten en leidinggevenden, 0,2 beroepsopleiderszit in de 5 uurruwweg de helft: uitleggen en meekijken
Meelopen tijdens het gewone werk12,7 uurniet gemeten
Overleg en papierniet in deze urentelt apart mee als kostenzit in de 5 uurruwweg de andere helft
Totaal volgens de eigen meetlat18,2 uur5 uur
Omgerekend naar uren die het bedrijf echt arbeid kostencirca 7 uur5 uur
Alleen de oranje regel zet beide landen op dezelfde maat, en ook die bij benadering: 0,2 plus 5,3 plus elf procent van 12,7 (het gemiddelde productiviteitsverlies tijdens het meelopen). Bronnen: Schönfeld, Wenzelmann en Pfeifer, Struktur und Aufwand des betrieblichen Ausbildungspersonals, BIBB 2024; Detmar en De Vries, Opleiden in de beroepspraktijk, DIJK12 2006.


Die 12,8 meten we in Nederland niet. Het beste vergelijkingspunt is daarom de 6,2 uur waarin Duitse medewerkers zich volledig op de opleiding richten, tegenover de Nederlandse 5 uur waarin directe begeleiding, overleg en papier samen zijn genomen. Ook dat is geen perfecte vergelijking, maar het verschil is ineens geen Duitse Alpenwand meer die je alleen met veel ervaring en stijgijzers overkomt. Eerder een vervelend viaduct met vals plat.

De conclusie is dus niet dat Nederland het stiekem even goed doet of Duitsland stukken beter.

De conclusie is dat we het gewoon niet serieus meten.

Duitsland meet de hele begeleidingspraktijk. Nederland meet een smaller deel en laat de rest verdwijnen in het woordje ‘tussendoor’.

Het grootste aantoonbare verschil zit daarmee niet in de begeleiding, maar in de meetlat.


Wat werkgevers in 2024 meten

In november 2024 verschijnt eindelijk weer een Nederlandse meting aan de kant van het bedrijf. ResearchNed onderzoekt voor VNO-NCW en MKB-Nederland wat werkgevers bijdragen aan stages en opleidingen. De onderzoekers vragen 334 dagelijkse begeleiders naar de laatste stagiair die zij onder hun hoede hebben gehad. Ongeveer de helft van de respondenten werkt in de zorg, waardoor het Nederlandse gemiddelde ook hier een behoorlijk verpleegkundig uniform draagt.

Een mbo-meewerkstage duurt volgens hun antwoorden ongeveer 640 uur. De doorsnee begeleider besteedt daarvan 80 uur aan directe begeleiding: één begeleidingsuur op iedere acht stage-uren. Het gemiddelde ligt op 133 uur, doordat een deel van de begeleiders veel hogere aantallen opgeeft. De spreiding loopt van minder dan 40 tot ruim boven 200 uur.

De gemiddelde begeleidingslast heeft hier ongeveer dezelfde informatiewaarde als de mededeling dat de gemiddelde Nederlander één borst en één testikel heeft. Rekenkundig niet onjuist en wellicht feitelijk waar. Voor de dagelijkse praktijk onbruikbaar.

Boven op de directe begeleiding komen gemiddeld ongeveer 29 uur voor overleg en beoordeling en 7 uur administratie. Omgerekend naar de werkweek van drie stagedagen die het rapport hanteert, besteedt de doorsnee begeleider ongeveer 3 uur per week aan de stagiair. Het gemiddelde komt rond 5 uur per week uit. Daar is hij weer: de donkere bovenkant van het Nederlandse onderzoek uit 2006, bij benadering en met een andere meetlat, maar nog altijd springlevend zit in de kantine te wachten tot iemand opnieuw naar haar vraagt.

Wat kost een mbo-meewerkstage van 640 uur het bedrijf? (2024)
KostenpostDoorsnee bedrijf
(mediaan)
Gemiddeld
Vaste kosten stageplek (werving, scholing begeleider, administratie)€ 600€ 600
Begeleidingsuren vaste begeleider€ 3.40080 uur€ 5.600133 uur
Overige uren begeleider (overleg, beoordeling)€ 1.00023 uur€ 1.20029 uur
Intern overleg leidinggevende€ 3005 uur€ 4508 uur
Stagevergoeding en onkosten€ 1.400€ 1.400
Kosten€ 6.700€ 9.250
Af: productieve arbeid van de stagiair- € 4.500320 uur × € 14- € 4.500320 uur × € 14
Netto investering per stage€ 2.200€ 4.750
Uurtarief begeleider € 42, leidinggevende € 56 (loon plus werkgeverslasten). Indicatieve bedragen met grote marges: per stage loopt het uiteen van een kleine winst tot zo'n € 10.000 kosten. Bron: Van Casteren, Lommertzen en Hendrix, Werkgeversbijdragen aan stages en opleidingen, ResearchNed, 2024.


De stagevergoeding trekt vooral de aandacht, maar de begeleiding kost volgens deze cijfers drie tot vijf keer zoveel. Die kosten staan alleen nergens als afzonderlijke factuur. Ze zitten verspreid over agenda’s, roosters en collega’s die even bijspringen.

Ook deze onderzoekers benoemen wat ze eigenlijk niet zo makkelijk unnen meten.

Collega’s steken tussendoor tijd in korte begeleidingsmomenten die samen behoorlijk kunnen oplopen. Precies het Duitse ‘tussendoor’. Die losse momenten zijn buiten de Nederlandse meting gebleven, omdat er geen betrouwbare schatting van kon worden gemaakt van de begeleidingsuren. Er staat wel blijkbaar serieus geld op het spel. We zien het, we doen nauwelijks iets.

In Bonn vragen ze er gewoon naar. Het is dus een keuze, geen natuurverschijnsel.

Nog één uitkomst verdient aandacht: Ongeveer de helft van de leidinggevenden wil meer stagiairs dan het bedrijf nu heeft. Gevraagd waarom dat niet lukt, noemt 46 procent te weinig begeleidingstijd.

Alleen een gebrek aan geschikte kandidaten wordt vaker genoemd.

Geen tekort aan stoelen, maar aan opleidingscapaciteit

Op 1 april 2026 staan volgens de Stagebarometer van SBB 4.695 mbo-studenten zonder stage of leerbaan. De grootste tekorten zijn er bij sociaal werk en de zorg. SBB noemt als een van de oorzaken dat leerbedrijven door personeelstekort en werkdruk te weinig tijd hebben om studenten te begeleiden.

In de zorg stelde de Algemene Rekenkamer in 2023 al vast dat te weinig beschikbare stagebegeleiders het grootste knelpunt vormt voor meer stageplekken. Extra subsidiegeld leidde niet vanzelf tot extra capaciteit. In maart 2026 meldden zorgopleidingen dat zij minder studenten toelaten omdat er onvoldoende stageplekken zijn. Tegelijkertijd zijn er tienduizenden vacatures op mbo-niveau in de zorg. Het is echt een probleem

In de techniek zie je hetzelfde probleem in een overall. Grote installateurs beginnen eigen bedrijfsscholen omdat een leerling naast een hoofdmonteur altijd meer tijd kost dan gedacht, terwijl die hoofdmonteur het al druk genoeg heeft. In een peiling van ROVC eind 2025 zegt 47 procent van de technische bedrijven dat intern onvoldoende begeleiding beschikbaar is voor nieuwe mensen.

We noemen dit meestal een tekort aan stageplekken. Dat klinkt alsof ergens te weinig bureaus, werkbanken en stoelen staan. Maar een stoel vraag niet om begeleiding. Wat ontbreekt is opleidingscapaciteit voor diegene die op die stoel terechtkomt: mensen die voldoende deskundig zijn én tijd hebben om van werk een leeromgeving te maken.

Daar zit de stageparadox. We hebben nieuwe mensen nodig omdat we te weinig mensen hebben, maar we hebben te weinig mensen om de nieuwe mensen op te leiden. Zo produceert het personeelstekort zijn eigen personeelstekort. We organiseren een bestuurlijke perpetuum mobile, met de praktijkopleider als brandstof.

Als je het op een rijtje zet blijft het probleem namelijk opvallend stabiel:

Twintig jaar metingen, één klacht
2006DIJK12 · 134 mkb-leerbedrijven · cijfers 2005 2,7 uur begeleiding per week per bol-stagiair, 5 uur per bbl-leerling. De bedrijven waarschuwen: onze tijd heeft grenzen.
2010Nivel en AEF · 280 stagebegeleiders in de zorg 1,73 uur per week ingeroosterd, 3,45 uur besteed. Vier op de tien weten niet of er tijd is ingeroosterd.
2023Algemene Rekenkamer · Stagefonds Zorg Te weinig stagebegeleiders is het grootste knelpunt voor meer stageplekken in de zorg. Extra geld alleen lost dat niet op.
2024ROC van Twente · bpv-docenten 20 tot 25 minuten per student per week bij een blokstage. Voor de praktijkopleider: ‘voldoende tijd’, zonder getal.
2024ResearchNed · 334 dagelijkse begeleiders Meewerkstage van 640 uur: mediaan 80 begeleidingsuren, gemiddeld 133. Omgerekend circa 3 tot 5 uur per week. 46 procent noemt te weinig begeleidingstijd als belemmering voor meer stagiairs.
2025BIBB, Duitsland · 3.207 leerbedrijven · cijfers 2022/23 Gewone medewerkers besteden 19 uur per leerling per week aan opleiden: 6,2 uur met volledige aandacht en 12,8 uur tijdens het gewone werk. Professionele opleiders komen daar nog bij.
2026SBB · Stagebarometer voorjaar 4.695 mbo-studenten zonder stage of leerbaan op 1 april. Een van de oorzaken volgens SBB: leerbedrijven hebben te weinig tijd om te begeleiden.
In oranje: de terugkerende Nederlandse klacht. De Duitse rij laat zien wat zichtbaar wordt wanneer een land ook begeleiding tijdens het gewone werk meet. Omrekening ResearchNed 2024: een stage van zes maanden en drie stagedagen per week, zoals het rapport zelf hanteert. Volledige bronvermeldingen staan onderaan het artikel.

Het magische gat tussen onderwijs en personeel

Ok. Heel veel cijfers, Duitse vergelijking. Kunnen we dan wel een norm stellen? Helaas niet, het is meer een kringverjaardag van getallen die allemaal iets anders bedoelen en toch voortdurend door elkaar praten. De ene meting rekent per week, de andere per stage. De ene telt directe uitleg, de andere ook overleg en administratie. Het is alsof je drie mensen vraagt hoe ver het naar Groningen is en de antwoorden krijgt: ‘twee uur’, ‘180 kilometer’ en ‘TikTok Tammo’.

Eén overeenkomst is er wel: Alles wat op de werkvloer tussendoor gebeurt aan gesprekjes, tips, knikjes, boze blikken enzovoorts verdwijnt in een soort magisch gat tussen de onderwijsbegroting en de personeelsplanning. Aan de ene kant gaan aanwijzingen, correcties, korte gesprekken en halve middagen van Henk naar binnen (met gevulde koek en al). Aan de andere kant komt een erkende stageplaats naar buiten en een student die ‘iets ervaren heeft’.

Niemand weet wat er onderweg met Henk is gebeurd. Maar dat ie het druk had zagen we wel.

Het onderzoek uit 2006 mist een belangrijk deel van de gesprekken tijdens het werk. De verpleegkundige uit 2010 begeleidt ondertussen gewoon door, maar weet niet of haar uren administratief ook daadwerkelijk bestaan. In 2024 blijven de losse momenten opnieuw buiten beschouwing omdat ze zo lastig te schatten zijn. Kan best zo zijn, maar dat zijn wel precies de minuten waarin een praktijkopleider even meekijkt, een fout voorkomt, iets voordoet of uitlegt dat ‘steriel ongeveer hetzelfde als schoon’ geen gedachte is die de student verder hoeft uit te werken en zelf maar moet kijken.

Iedereen ziet dat die begeleiding plaatsvindt: De student leert ervan. Collega’s merken het. Het gewone werk loopt er soms langzamer door. Alleen bij het meten van die uren bestaat het niet. Het gevolg? Aan het einde van de dag loopt de praktijkopleider een uur achter en heeft hij volgens de statistiek niets bijzonders gedaan. Plus een leidinggevende die vraagt hoe dat toch komt.

Wat zegt onderzoek over goede begeleiding?

Dat dit wel heel belangrijk is illustreer ik graag met een literatuurstudie van Mikkonen en collega’s uit 2017 naar begeleiding in het beroepsonderwijs: Die studie laat vooral zien hoe begeleiding werkt. Leren op de werkvloer is meestal collectief: niet alleen de formele praktijkopleider, maar meerdere collega’s dragen eraan bij.

Een van de grootste hindernissen? Dat is volgens de studies vrijgemaakte tijd: Wanneer productie steeds voorgaat, krijgen leerlingen eenvoudige taken en minder kans op individuele begeleiding.

Juist die individuele aandacht lijkt een belangrijke succesfactor.

Voila, op een presenteerblaadje: Er is dus onderzoek naar de bestede tijd, al is het versnipperd en gebruikt het verschillende meetlatten. En er is onderzoek naar wat goede begeleiding maakt.

Wat we op dit moment niet hebben is een landelijke aanpak die deze twee met elkaar verbindt: hoeveel begeleiding vraagt deze stage, wie levert die begeleiding en waar staat die tijd in de planning begroot?

Hoeveel uur begeleiding per stagiair? Bruikbare vuistregels

Als je dat weet kun je gaan redeneren over die uren. Voor een begroting zijn op basis van de beschikbare onderzoeken de volgende ankers bruikbaar. Het zijn nadrukkelijk geen natuurwetten die je moet respecteren: Een eerstejaarsstudent in de zorg, een ervaren vierdejaars bbl-leerling in de installatie en een afstudeerder op een communicatieafdeling passen niet in dezelfde urenonesie. Het is een indicatie.

Je kunt hier aan denken:

  • Praktijkopleider, gewone bol-meewerkstage:
    Reken als vertrekpunt op 2 tot 3 uur per week per stagiair. Het gemiddelde van 2,7 uur uit 2006 is nog steeds het bekendste planningsgetal. De mediaan van 80 begeleidingsuren op een stage van 640 uur uit 2024 komt bij drie stagedagen per week op ongeveer 3 uur uit.

  • Praktijkopleider, bbl-leerling of intensievere begeleidingsvraag:
    Reken als vertrekpunt op 4 tot 5 uur per week. Het onderzoek uit 2006 komt voor bbl gemiddeld op 5 uur. De meting uit 2024 laat bovendien zien dat sommige begeleiders ruim boven 200 uur per stage uitkomen.

  • Coördinatie, beoordeling en administratie:
    Zet die uren apart van de directe begeleidingsminuten. Wie alles op één hoop gooit, begroot een stage die op papier goedkoper en lichter is dan zij werkelijk is. Dat is geen administratie maar georganiseerde teleurstelling.

  • De stage die misgaat:
    Daarvoor bestaat geen bruikbaar gemiddelde. Reserveer daarom capaciteit voor uitval, conflicten, extra gesprekken en herstel. Hoeveel dat exact moet zijn is afhankelijk van de doelgroep, het bedrijf en andere omstandigheden.

Wat moeten we doen?

We zien dus allemaal dat die begeleider belangrijk is. We zien ook dat bedrijven wel willen maar soms huiverig zijn of gewoon de deur dichthouden. Dat willen we niet, dus hoe lossen we dat op? Gaan we nu het getal 2,7 op een stenen tafel beitelen en morgen bij wet op iedere praktijkopleider plakken?

Dat is volgens mij een vrij matig idee: Daarvoor verschillen sectoren, leerwegen, studenten en werkzaamheden te sterk. Dan vervangen we een oud gemiddelde alleen door een nieuw heilig getal en beginnen we over twintig jaar opnieuw.

We hebben denk ik wel een tweede klok nodig naast de studentenklok: De begeleiderklok.

Ten eerste moet Nederland de feitelijke begeleidingsarbeid structureel gaan meten. Laat een onafhankelijk instituut of SBB iedere paar jaar onderzoeken hoeveel directe begeleiding, meelopen, overleg, beoordeling en administratie een stage vraagt. Gebruik daarbij steeds dezelfde meetlat, zodat ontwikkelingen door de tijd zichtbaar worden. Duitsland laat zien dat dit kan. Blijkbaar moet je het gewoon vragen. In het Duits is niet noodzakelijk. Mag, maar hier omslachtig.

Ten tweede moeten school en leerbedrijf bij de start van iedere stage expliciet bespreken hoeveel begeleiding waarschijnlijk nodig is, wie die levert en hoe die tijd wordt georganiseerd. Niet alleen: ‘Is er een praktijkopleider?’ maar ook: ‘Hoeveel capaciteit heeft die praktijkopleider?’ De plek bestaat. De begeleider bevindt zich vermoedelijk ergens in het gebouw. Dat is nog geen opleidingsplan. En ‘voldoende’ is geen antwoord. Uren willen we zien.

Ten derde moet de tijd en inzet voor het begeleiden van stagiair bij een bedrijf zichtbaar zijn in de personeelsplanning en begroting. Hier zet ik wel een stevige kanttekening bij: Daarmee is namelijk niet gezegd dat het leerbedrijf die rekening volledig zelf mag gaan betalen. Sommige bedrijven kunnen begeleiding prima organiseren en verdienen hun investering later terug doordat stagiairs productief meewerken of als medewerker blijven. Stages blijven een superslimme investering in recruitment, onboarding en retentie. Maar andere bedrijven leiden vooral op voor de sector: Een stagiair vertrekt dan na diplomering naar een concurrent, het ziekenhuis verderop of een andere regio. Het leerbedrijf heeft in zo’n situatie de uren betaald, moeite gedaan en risico gelopen maar de arbeidsmarkt krijgt de opbrengst.

Henk investeert, de buurman neemt aan. Dat is fantastich, maar niet zo rendabel.

Stages zijn bovendien geen particulier hobbyprojectje van bedrijven ‘die wél hun maatschappelijke rol pakken’. Stages zijn een verplicht en bekostigd onderdeel van het beroepsonderwijs. Zonder bedrijf geen beroepsonderwijs. Punt.

De school ontvangt publieke middelen voor de opleiding, terwijl een aanzienlijk deel van dat onderwijs op de werkvloer wordt verzorgd door medewerkers die op de loonlijst van het leerbedrijf staan. Dan is “het bedrijf moet die uren maar begroten” geen financieringsmodel. Het is de rekening onder het woord partnerschap schuiven en hopen dat niemand hem openmaakt.

Daarom moet niet alleen duidelijk worden hoeveel begeleiding nodig is, maar ook wie welk deel betaalt. Dat kan per leerweg en sector verschillen. Het bedrijf mag bijdragen omdat het zelf voordeel kan hebben. De school kan bijdragen omdat praktijkleren onderdeel is van de opleiding. Sectorfondsen kunnen meebetalen omdat zij profiteren van nieuwe vakmensen. En de overheid heeft een rol waar opleiden maatschappelijk noodzakelijk is, maar voor één werkgever bedrijfseconomisch onvoldoende aantrekkelijk wordt.

De vraag is dus niet of bedrijven begeleiding moeten begroten. Natuurlijk moeten zij dat. De vraag is welk deel van die begroting redelijkerwijs bij het individuele bedrijf hoort en welk deel bij onderwijs, sector en overheid. Of dat geld dan naast de lumpsum voor scholen moet, van die lumpsum of op een andere manier weet ik ook niet nu, maar dat het nodig is weet ik wel: Zolang we die verdeling niet bespreken, noemen we het een gezamenlijke verantwoordelijkheid en sturen we de factuur naar degene bij wie de stagiair toevallig op dinsdag binnenloopt.

Moet je ook niet raar opkijken dat een bedrijf ‘nu even niet’ zegt of gaat selecteren op stagiairs die minder ‘risicovol’ lijken: Ik heb toch liever hbo, of alleen mbo 4 laatstejaars graag, mbo2 eerstejaars? Even niet. Kent u die uitdrukking? Ik ook. Maar al te goed.

Ten vierde moeten overheid, onderwijs en sectoren stoppen met uitsluitend meer stageplekken vragen. Een extra plek zonder begeleidingscapaciteit is geen oplossing. Richt beleid daarom op opleidingscapaciteit: voldoende getrainde begeleiders, werkbare aantallen studenten per team en tijd die daadwerkelijk op het rooster staat.

Dit betekent niet automatisch dat de overheid ieder begeleidingsuur moet betalen of dat ieder bedrijf een stopwatch naast de gereedschapskist moet leggen. Het betekent wel dat een essentieel onderdeel van het beroepsonderwijs (de begeleiding op de werkvloer) niet langer rust op hoop, improvisatie en de agenda van Henk.

Het is toch raar dat we het zo hebben geregeld in Nederland dat de bekostiging wel de bestede tijd van de student naar de school volgt, maar niet het uur uitleg van de praktijkbegeleider naar het leerbedrijf? Daar is het ‘iets wat het bedrijf zelf mag regelen’. Dit moet structureel anders willen we bedrijven helpen om ruimte te bieden aan het opleiden van toekomstige vakmensen.

Ten vijfde moeten we ons aanleren om onderscheid te maken tussen opleidingstijd en productiviteitsverlies. Niet ieder uur waarin een medewerker een leerling begeleidt, is direct een verloren uur dat je kunt declareren. De Duitse cijfers laten juist zien dat het grootste deel van de opleiding tijdens het gewone werk plaatsvindt. Bij de meting over 2017/18 daalde de productiviteit tijdens die werkgeïntegreerde begeleiding gemiddeld met 11 procent. Bij ongeveer vier op de tien bedrijven was het geschatte productiviteitsverlies zelfs nul. Niks. De medewerker werkte door en leidde tegelijkertijd iemand op. Het kan dus.

Dat betekent niet dat begeleiding gratis is.11 procent is ook 11 procent. Het betekent wel dat goed georganiseerd werk tegelijk productie en opleiding kan zijn. Daarvoor zijn geschikte taken nodig, een leerling die geleidelijk meer kan, een begeleider die weet wat hij doet en een planning waarin één vraag niet onmiddellijk de complete dagproductie laat omvallen. Zodra die ruimte verdwijnt, wordt dezelfde leerling wel vertragend of krijgt hij vooral eenvoudige klusjes die niemand anders wilde doen. Dat heet dan “lekker zelfstandig”, omdat “we hadden geen tijd voor je” wat ongezellig staat in de evaluatie.

Begroot daarom niet blind alle begeleidingsuren alsof iedere minuut volledig verloren productie is. Maak onderscheid tussen volledige begeleidingstijd, werkgeïntegreerde opleidingstijd en het productiviteitsverlies dat daarbij werkelijk ontstaat. Qua geld kun je dan in ieder geval de uren waarin medewerkers hun eigen werk neerleggen financieren, plus overleg, beoordeling, administratie en de aantoonbare vertraging tijdens het werk. Organiseer de overige uren bewust als onderdeel van het werkproces. Zo financier je de werkelijke opleidingslast van een bedrijf slimmer zonder te doen alsof leren en produceren elkaar nooit mogen ontmoeten en twee gescheiden entiteiten zijn.

Daar komt nog iets bij.

Bedrijven zijn soms bang dat opleiden te veel beslag legt op hun beste vakmensen. Begrijpelijk. Henk kan op het moment dat Kevin een vraag heeft ook een storing oplossen, een patiënt helpen of een installatie afmaken. Maar het alternatief is niet gratis. Als Henk zijn kennis niet overdraagt, blijft die kennis vooral in Henk zitten. Dat gaat uitstekend, tot Henk vertrekt en de organisatie ontdekt dat haar kennisinfrastructuur jarenlang heeft bestaan uit hopen dat hij zijn telefoon opnam.

Een leerling begeleiden kost dus Henk tijd en soms productiviteit. Het kost hem niet zijn kennis. Door uit te leggen waarom hij iets doet, maakt hij juist zichtbaar wat voor hem allang routine is geworden. De leerling leert, collega’s krijgen toegang tot zijn werkwijze en het bedrijf maakt zijn vakkennis minder afhankelijk van één hoofd met een toegangspasje. School kan mede dankzij Henk een mooi diploma uitreiken. Iedereen wint

Begeleiding is daarom niet alleen een onderwijstaak en ook niet uitsluitend een kostenpost.

Het is kennisoverdracht, opvolgingsplanning en risicobeheersing. De vraag is niet alleen hoeveel productie Henk vandaag verliest door iets uit te leggen. De vraag is ook hoeveel kennis de organisatie morgen verliest wanneer niemand naast hem heeft gestaan.

Of nog wat botter samengevat: Henk zijn kennis laten overdragen kost tijd. Wachten tot hij met pensioen gaat en vervolgens vragen of iemand zijn wachtwoord weet, kost doorgaans meer.

De Duitse cijfers bevatten daarmee ook goed nieuws. Een leerling hoeft niet negentien uur per week naast een stilstaande monteur te zitten om goed te worden opgeleid. Het grootste deel van het leren kan tijdens het werk plaatsvinden en kost soms nauwelijks productiviteit. Maar alleen wanneer iemand dat werk bewust als leeromgeving organiseert.

Conclusie: De juiste vragen om te stellen

De beleidsvraag is als je dit op een rijtje ziet niet: wie betaalt alle uren?

De betere vragen zijn:

  1. Hoeveel beschermde begeleidingstijd is nodig,

  2. Hoeveel werkgeïntegreerd leren is mogelijk,

  3. Hoeveel productiviteit gaat daarbij werkelijk verloren en

  4. Wie betaalt dat verlies?

Dat is een stukken beter financieringsmodel dan de twee uitersten waartussen we nu graag heen en weer rennen: Doen alsof iedere begeleidingsminuut volledig declarabel moet zijn en een dikke factuur naar de overheid of het lokale ROC mag sturen, of doen alsof begeleiden gratis gebeurt omdat de machine nog aanstaat en de leerling gewoon lekker mag meedoen.

Ik denk ook niet dat iedere begeleidingsminuut die je dan wel vergoedt hoeft te factureren alsof Henk een senior advocaat aan de Zuidas is en zijn gevulde koeken bij de Gevulde-Koeken-Juwelier koopt. Lijkt mij beetje woest begroten. Maar wat we nu hebben is een stelsel dat structureel onderwijs uitbesteedt aan bedrijven en de rekening vervolgens onder het woord ‘convenant’ schuift.

Dat werkt niet, want je moet dan ook niet verbaasd kijken dat bedrijven bij personeelstekorten minder stageplekken aanbieden.

‘Tussendoor’ is geen begroting.

Het is een personeelstekort met uitgestelde bezorging.

Veelgestelde vragen over begeleidingstijd

Hoeveel uur per week kost het begeleiden van een stagiair? Gemiddeld 2 tot 3 uur per week voor een bol-stagiair in een gewone meewerkstage, en 4 tot 5 uur per week voor een bbl-leerling. Het bekendste cijfer, 2,7 uur per week, komt uit onderzoek van DIJK12 uit 2006. De werkgeversmeting van ResearchNed uit 2024 komt met één begeleidingsuur op acht stage-uren in dezelfde buurt uit.

Bestaat er een wettelijke norm voor de begeleidingstijd van een praktijkopleider? Nee, en ook internationaal bestaat geen algemeen aanvaarde urennorm voor stagebegeleiding. De omvang van de bpv is geregeld voor de student, en sinds schooljaar 2024-2025 geldt de afspraak uit het Stagepact van drie contactmomenten vanuit de school. Voor de uren van de praktijkopleider in het leerbedrijf bestaat geen wettelijk minimum en geen landelijke norm. In gereguleerde beroepsopleidingen komt zo'n eis wel voor: een Amerikaanse counseling-opleiding schrijft haar stagebegeleiders bijvoorbeeld minstens één uur supervisie per week voor.

Is er onderzoek naar hoeveel begeleiding een stagiair nodig heeft? Er is onderzoek naar tijdsbesteding, versnipperd en vaak ouder en per sector, en er is onderzoek naar wat goede begeleiding maakt. Er is geen onderzoek dat die twee verbindt in een norm. Een Finse literatuurstudie uit 2017 (Mikkonen en anderen, 18 studies) vindt dat begeleiding op de werkvloer meestal collectief is en dat gebrek aan vrijgemaakte tijd de grootste hindernis vormt. De kans om individuele begeleiding te krijgen lijkt de belangrijkste succesfactor. Een aantal uren waarbij een stage goed wordt, geeft het onderzoek niet.

Hoeveel begeleidingstijd krijgt een bpv-docent per student? Het Handboek bpv 2024-2025 van ROC van Twente noemt 20 tot 25 minuten per student per week bij een blokstage als reële begeleidingstijd. Bij 25 studenten is dat 8 tot 10 uur per week, exclusief voorbereiding en beoordeling. Studenten die extra aandacht vragen, vallen er ook buiten.

Wat kost de begeleiding van een stagiair in geld? In 2006 rekent DIJK12 met 35 euro per uur: 643 euro per bol-stage van 34 dagen. In 2024 rekent ResearchNed met 42 euro per begeleidersuur. Na aftrek van de productieve uren van de stagiair kost een mbo-meewerkstage een bedrijf gemiddeld 4.750 euro; het bedrijf op de mediaan, met 80 in plaats van 133 begeleidingsuren, komt uit op 2.200 euro. Het zijn indicatieve gemiddelden met een grote marge: per stage loopt het uiteen van een kleine winst tot zo'n 10.000 euro kosten. Meer daarover in Wat kost een stagiair?

Waarom lopen de cijfers over begeleidingstijd zo uiteen? Omdat elke meting iemand anders bevraagt en in een andere eenheid rekent, en omdat de spreiding binnen één meting al groot is: van 1,3 tot 4 uur per week tussen sectoren in 2006, en van minder dan 40 tot meer dan 200 uur per stage tussen bedrijven in 2024. De korte begeleidingsmomenten tussendoor, van collega's op de werkvloer, zitten in geen enkele Nederlandse meting.

Waarom ligt de Duitse begeleidingstijd (18,2 uur per week) zo veel hoger dan de Nederlandse? Vooral door de meetlat. Het Duitse BIBB telt ook de uren mee waarin een vakkracht doorwerkt terwijl de leerling meekijkt en meehelpt: 12,7 van de 18,2 uur, en de productiviteit van de opleider daalt daar gemiddeld maar elf procent door. Omgerekend naar uren die het bedrijf echt arbeid kosten blijft ongeveer zeven uur per week over, tegenover vijf uur voor een Nederlandse bbl-leerling in 2006. Zo'n 5,5 uur van de Duitse tijd is onverdeelde aandacht.

Waarom heeft Nederland de begeleidingstijd van stagiairs nooit structureel gemeten? Omdat er wordt geteld waar bekostiging aan hangt. In Nederland is de stage onderwijstijd van de student, dus de overheid telt de school; het uur van de praktijkopleider is een private kostenpost van het bedrijf. In Duitsland is het bedrijf de opleider en meet het BIBB, opgericht bij de wet op de beroepsopleiding, de kosten en baten sinds 1980 elke vijf jaar. De twee Nederlandse metingen (2006 en 2024) werden allebei door werkgeversorganisaties zelf betaald.

Hangt het stagetekort samen met begeleidingstijd? Voor een deel. De Algemene Rekenkamer concludeerde in 2023 dat te weinig beschikbare stagebegeleiders het grootste knelpunt is voor meer stageplekken in de zorg, en dat extra geld dat niet oplost. In de Stagebarometer van voorjaar 2026 telt SBB 4.695 mbo-studenten zonder stage of leerbaan en noemt als een van de oorzaken dat leerbedrijven door personeelstekort en werkdruk te weinig tijd hebben om te begeleiden. In maart 2026 lieten mbo-opleidingen in de zorg om die reden minder studenten toe. In het werkgeversonderzoek van ResearchNed (2024) wil ongeveer de helft van de bedrijven meer stagiairs; 46 procent noemt gebrek aan begeleidingstijd als reden waarom dat niet lukt. De bedrijven in het onderzoek van 2006 waarschuwden al dat hun tijd grenzen heeft.

Lees ook

Bronnen

Volgende
Volgende

Kostbaar