Hauntology
Wat we doorgeven zonder het te zeggen
Vorige week las ik Capitalist Realism van Mark Fisher. Tachtig pagina's. Twee treinritten. Ik kende hem niet. Iemand noemde zijn naam in een artikel en ik zocht hem op.
Fisher was een Britse cultuurcriticus, muziekjournalist en docent aan Goldsmiths in Londen. Hij schreef voor The Wire en Frieze, startte in 2003 het invloedrijke blog k-punk, en zijn kracht lag in het verbinden van popsongs, horrorfilms en Deleuze tot een geheel dat aanvoelde als een gesprek met de slimste vriend aan de kroegbar. Maar zijn betekenis reikt verder dan muziek. Capitalist Realism (2009) gaat over een gevoel dat iedereen kent maar niemand goed kan benoemen: het idee dat het systeem waarin we leven niet verdedigd hoeft te worden, omdat het simpelweg onvermijdelijk lijkt. TINA, noemde Thatcher het: There Is No Alternative. Als mentale toestand. Fisher beschrijft hoe alternatieven niet zozeer onwenselijk zijn, maar gewoon onvoorstelbaar. Het is makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme, schreef Fredric Jameson. Fisher stierf in januari 2017, zeven jaar na zijn boek en vlak voor Trump en Brexit de politieke verbeelding weer gewelddadig opensloegen. Hij werd 48 jaar. Hij heeft de reacties op zijn boek, de groeiende relevantie, de heruitgaven en vertalingen, nooit helemaal kunnen verwerken.
Eerlijk gezegd had ik halverwege al genoeg van de politiek. Het ging me om iets anders. Systemen reproduceren zichzelf via wat ze niet uitspreken. De norm die niemand uitlegt. De verwachting die er gewoon is. Het gedrag dat vanzelfsprekend is omdat het altijd al zo was. Juist het onuitgesprokene is het krachtigste. Wat ter discussie wordt gesteld kan veranderen. Wat nooit wordt benoemd, niet. Dit is overigens ook hoe de vaatwasser al drie jaar niet goed sluit en niemand dat fixt omdat iedereen denkt dat het zo hoort.
Ik werk al jaren met stagebedrijven.
En ik herken dit direct. Jij denk ik ook.
Een stagiair stapt een bedrijf binnen, kijkt rond, past zich aan. Niet omdat iemand hem dat vraagt. Aanpassen lijkt de enige zichtbare optie. De normen, de routines, de impliciete verwachtingen liggen er al jaren als een soort mentaal meubilair. Je loopt er omheen, want ‘zo gaat dat nu eenmaal hier’. En in die vanzelfsprekendheid wordt iets doorgegeven wat veel zwaarder weegt dan een vaktechnische handeling; Een opvatting over wat werk is, wat van jou verwacht wordt en wat jij zelf mag verwachten. Een soort van wereldbeeld dus.
Die overdracht van onuitgesproken kennis is niet nieuw. Aristoteles had er al een woord voor: phronesis. Praktische wijsheid. Weten wat je in deze situatie, met deze mensen, op dit moment moet doen. Hij onderscheidde haar van theoretische kennis en vakmanschap omdat hij begreep dat er een derde soort weten bestaat die alleen ontstaat in contact met de werkelijkheid. Tweeduizend jaar later gaf Michael Polanyi het een nieuwe naam: tacit knowledge. Je ruikt aan een bedrijf of initiatief gewaardeerd wordt. Of fouten bespreekbaar zijn. Of jij er als mens toe doet. Dat ruiken lukt overigens ook mensen die al dertig jaar ergens werken niet altijd.
Niemand zegt het.
Iedereen leert het.
De stageplek is de enige plek in het onderwijs waar deze kennis op het spel staat. Als dagelijkse werkelijkheid. En wat je daar leert, dat vormt je.
Karl Mannheim beschreef in 1928 hoe dat werkt in zijn beroemde werk over generaties. Generaties worden gevormd door gedeelde ervaring, niet door geboortejaar. Wat je ziet als je net begint, bepaalt hoe je naar werk kijkt. Naar jezelf. Naar wat normaal is. Je eerste baan is geen neutrale leerschool. Het is een formatieve ervaring die een stempel drukt.
Fisher zegt daar wat slims over: Wat als die formatieve ervaring vooral bestaat uit het afwezig zijn van perspectief? Geen traumatische gebeurtenis zoals een loopgravenoorlog (in Mannheimsgeval was WOI belangrijk) maar een structureel gemis.
Wat als er geen toekomstbeeld is om naartoe te werken, alleen een heden dat zichzelf herhaalt en vastklampt aan zichzelf en een gedroomd verleden. Een soort Spotify op repeat, maar dan voor de arbeidsmarkt.
We praten over jongeren die niet kunnen doorzetten. Over millennials zonder loyaliteit. Over Gen Z die niet kunnen bellen. Kom op, alsof bellen een aangeboren vaardigheid is die sommige generaties gewoon vergeten zijn mee te nemen. Die etiketten voelen als observaties maar het zijn projecties.
En die projecties zijn heel erg krachtig. De socioloog W.I. Thomas formuleerde in datzelfde jaar 1928 iets wat later het Thomas theorem werd: als mensen een situatie als werkelijk definiëren, is ze werkelijk in haar gevolgen.
Je hoeft iets niet ‘waar’ te maken. Je hoeft het alleen maar lang genoeg als waar te behandelen.
Als een stagebegeleider lang genoeg gelooft dat generatie Z een stelletje snowflakes is , gaat hij dat zoeken, zien in gedrag, bevestigen en doorgeven. De definitie wordt de werkelijkheid. En de stagiair? Die past zich aan, want aanpassen is de enige zichtbare optie.
Elke generatie bekijkt de volgende door de lens van haar eigen formatieve ervaringen en noemt het verschil een tekort. De oudere generatie is bezeten door een arbeidswereld die er niet meer is en beoordeelt jongeren op hun vermogen om daarin te functioneren.
Hauntologie als personeelsbeleid.
Want die praktische wijsheid waar Aristoteles het over had, die is contextgebonden. Wat wijsheid was in een arbeidsmarkt met vaste contracten en lineaire loopbanen is in 2025 soms gewoon een dood spoor. Maar we geven haar nog steeds door als waarheid. Via stages en het beoordeling van de student. Via de impliciete norm (het mentale meubilair in jouw bedrijf) van wat een goede werknemer is, een norm die er opvallend veel uitziet als iemand die al zijn hele leven hetzelfde doet.
Fisher was geen pessimist, al klonk hij er soms wel naar en overleed hij ook aan een depressie, just saying. Zijn punt was juist dat benoemen de eerste stap is naar iets anders. Je kunt pas een spook zien als je weet waar je op moet letten.
Een stageplek is waar dat zichtbaar wordt. Waar een begeleider die tijd maakt iets doorgeeft wat hij zelf misschien niet eens herkent. Waar phronesis wordt overgedragen, of juist niet.
Daarna kijk je anders naar een werkvloer. Wat geef je door? Het spook van het verleden? Of de toekomst ?
