MacGyver
Waarom Lévi-Strauss precies snapt hoe een stagiair leert
Jullie nieuwe stagiair komt binnen. Enthousiast. Ambitieus. Bloesje gestreken, net even teveel 'de houding van ‘ik weet heus wel hoe het werkt’ Terwijl je al direct ziet: Die heeft geen idee.
En jij staat er als Yoda. Yoda in een colbert, of in werkschoenen, of meestal in een spijkerbroek op vrijdag.
Grappige situatie eigenlijk.
Een boekje uit 1962
Gisteren moest ik denken aan een dun boek van Claude Lévi-Strauss uit 1962. ‘La Pensée Sauvage’. Klinkt net zo moeilijk Frans filosofisch als het is. Ik kwam laatst een interview tegen met de Nederlandse architect Herman Hertzberger, die vertelde hoe diep dit boek hem had beïnvloed.
Ik heb het zelf ooit geprobeerd te lezen. Of “geprobeerd”. Ik begon eraan in een stoffige hoek van een universiteitsbibliotheek, terwijl ik een paper over middeleeuwse boeteboeken probeerde te ontwijken. Ja, dat heb ik echt gestudeerd.
Het boekje kreeg ik niet uit.
De paper werd op zich wel oké.
Maar zelfs die halfslachtige poging, vooral geboren uit studie ontwijkend gedrag, is niet helemaal onopgemerkt gebleven.Lévi-Strauss had namelijk een paar ideeën over hoe mensen denken en betekenis maken die mij hielpen begrijpen hoe wij ons gedragen op de werkvloer.
De ingenieur en de bricoleur
Lévi-Strauss beschrijft twee soorten denkers.
De ingenieur plant alles minutieus. Zoals NASA een raket lanceert. Hij verzamelt vooraf precies wat hij nodig heeft.
De bricoleur doet het tegenovergestelde; die improviseert. Zoals MacGyver een vliegtuigmotor repareert met kauwgom en een paperclip terwijl het ding al in de lucht hangt en de slechterik net met een parachute lachend is uitgesprongen boven de Colombiaanse jungle (het is altijd zoiets). Klinkt onnozel. Maar als je goed kijkt, klopt het verrassend goed.
Wij professionals zijn zelden perfecte planners. De meesten van ons zijn MacGyvers. We zeggen dat we plannen. Maar meestal rollen we mee met de stroom en gebruiken we wat er voorhanden is als kauwgom.
Stagiairs zijn klassieke MacGyvers
Ze stellen hun kennis samen uit losse stukjes. Een gesprekje bij het koffieapparaat. Een halve zin op de gang. Een cryptisch Slack-bericht dat ze pas weken later begrijpen. Aantekeningen in vergaderingen die ze niet helemaal volgen, maar waar ze blijven knikken om geen domme vraag te stellen. Wat overigens nooit een domme vraag is, maar je kent het gevoel.
Uit die fragmenten bouwen ze hun beeld van jouw bedrijf. Bijna onbewust.
Volgens Lévi-Strauss is dit precies hoe mensen betekenis creëren. Niet via netjes gestructureerde handleidingen. Maar door te improviseren met wat er ligt; kauwgum, paperclips…
De mythes van het kantoor
Lévi-Strauss schreef ook over mythes. Niet in de zin van sprookjes met wolven die oma’s opeten of superhelden met capes die de wereld redden, maar als manieren waarop mensen de wereld ordenen.
Werkplekken hebben hun eigen mythes. Je kent ze wel: Daag de baas niet openlijk uit. Doe altijd alsof je het druk hebt. Geef nooit toe dat je iets niet snapt. Wij hebben hier de gezelligste vrijmibo van de hele branche, echt waar.
Stagiairs hebben die ongeschreven regels binnen drie weken door. Ze nemen ze op in hun eigen verhaal. En vervolgens bouwen ze hun eigen mythe: hoor ik hier wel of ben ik gewoon een tijdelijke voorbijganger?
Hertzbergers gebouwen
Lévi-Strauss benadrukte iets opvallends. Er is geen hiërarchie tussen wetenschappelijk denken en intuïtief, improviserend denken.
En daar komt de architect Hertzberger in beeld (hij bouwde onder andere het oude Vredenburg in Utrecht, nu geval ‘dat vinden we ouwe zooi, toentertijd hypermodern). Hij pakte precies dat inzicht op in zijn architectuur. Zijn gebouwen zijn ontworpen om uit te nodigen tot improvisatie. Open ruimtes die mensen zelf vormgeven. Goede ontwerpen zijn niet rigide in regeltjes gepropt; Ze laten ruimte voor wilde, intuïtieve, soms onnozele creativiteit.
En precies dat geldt voor stages.
Goede stages zijn geen lopende band in een onderwijsfabriek. Ze lijken meer op een gebouw van Hertzberger. Open. Rommelig. Aanpasbaar: Een plek waar stagiairs mogen experimenteren, fouten mogen maken, vreemde vragen mogen stellen, en mogen porren aan de logica van jouw systemen. Een plek die uitnodigt om ‘waarom’ te vragen in plaats van ‘ja mevrouw’ te zeggen.
Geef ze een lichtzwaard. Laat ze er even mee zwaaien. Het is de enige manier waarop ze echt leren.
Geen checklist
Wat Lévi-Strauss ons leert, en wat Hertzberger blijkbaar goed snapte, is dat mensen het beste leren in omgevingen die dat soort improvisatie toelaten. Stages bloeien op als je overmatige structuur loslaat en ruimte maakt voor nieuwsgierigheid en echt contact.
Het gaat niet om de keurig afgevinkte lijstjes of netjes gedrukte onboarding-boekjes.
Stagiairs onthouden de momenten waarop ze zich werkelijk betrokken voelden. Welkom. Gezien. ‘Domme’ vragen mochten stellen (bestaan niet, weet ik ook wel, maar je snapt wat ik bedoel).
Daar bouwen ze hun verhaal mee. Hun mythe, zou Lévi-Strauss zeggen. Over jouw werkvloer. En wat je ook doet, die mythe ontstaat. Is die mythe positief is, ben je geslaagd. Negatief? Dan gaat geen onboarding-handboek je nog redden.
Een MacGyver-aflevering
Misschien moeten we Lévi-Strauss en Hertzberger wat serieuzer nemen in hoe we naar stagiairs kijken. Stages zijn geen NASA-lanceringen. Ze lijken meer op een aflevering van MacGyver. Geïmproviseerd. Verrassend. Creatief. Een beetje chaotisch.
Stagiairs moeten kunnen kauwen op hun eigen verhaal, om even bij de kauwgom te blijven.
Niet alleen zij hebben er baat bij. Ook jouw bedrijfsmythes worden er rijker van. Aanpasbaarder. En misschien zelfs een beetje menselijker.
En die vrijmibo? Laat de stagiair vooral geloven dat het bij jullie de leukste van de hele branche is. Dat hoort erbij. Dat is de mythe waar hij zelf onderdeel van wordt.
Op een dag staat hij bij die borrel met een lauw 0.0 biertje en een schaaltje schrale pinda’s dat al sinds januari in de kast ligt, bij dat deurtje waarvan het scharnier ook zn beste tijd heeft gehad. En dan beseft hij: zo episch is het eigenlijk niet.
Dat is geen ramp.
Dat is de bedoeling.
Want dat is het moment waarop hij erbij hoort.
Een mythe is geen leugen die je moet ontmaskeren. Een mythe is wat een groep mensen bindt, ook als ze allang weten dat de pinda’s oud zijn.
En toch elke vrijdag weer komen
