Ijzeren kooi
Donderdagochtend, verzorgingshuis aan de rand van Almere. Carmen staat in de keuken koffie te zetten. Achttien jaar in de zorg, zes jaar praktijkopleider. Eén van haar stagiairs, Yara, zit al een halfuur op kamer 12 bij mevrouw Pinas. De deur is dicht. Het alarm is niet ingedrukt. Yara had haar moeten wassen om half negen. Het is nu kwart over negen.
Carmen loopt naar kamer 12 en opent zachtjes de deur. Yara zit op de rand van het bed. Ze heeft een hand vast. Mevrouw De Pinas, vierentachtig en dementerend, neuriet iets. Yara neuriet mee, op de tast. Ze kent de tekst niet. Het is geen Nederlands liedje, Carmen herkent het vaag als iets Surinaams.
Ze sluit de deur. Ze loopt terug naar haar kantoor en opent het BPV-portfolio van Yara. Onder kerntaak B1-W2, "Voert verpleegtechnische handelingen uit volgens protocol", staat niets ingevuld voor vandaag. Logisch, er is niets gedaan wat in een protocol staat.
Carmen weet wat ze zojuist heeft gezien op kamer 12. Ze weet dat het belangrijk is. Ze weet ook dat ze het straks niet kan registreren, want daar is geen vakje voor.
Wat Weber zag
Hier komt Max Weber in beeld, niet direct iemand die je verwacht in een verhaal over Nederlandse stages. Het is 1919 Max gaat niet zo lekker, hij ligt op zijn ziekbed in München, vijfenvijftig jaar oud, en weet dat hij niet meer veel tijd heeft. Dat voorgevoel klopt: Hij sterft een jaar later. Het boek waar hij aan werkt, Wirtschaft und Gesellschaft, blijft onaf.
Zijn weduwe brengt het in 1922 uit. Postuum.
Wie is Weber? Een Duitse socioloog, jurist, econoom, geboren in 1864. Samen met Karl Marx en Emile Durkheim wordt hij gezien als grondlegger van de sociologie. Hij schrijft over religie, kapitalisme, macht, en de manier waarop de westerse wereld steeds rationeler aan het worden is. Wat hem onderscheid van veel tijdgenoten: hij weigert te kiezen tussen bewondering en kritiek. Hij bespeeld beide registers tegelijk.
Dat geldt ook voor zijn kijk op de bureaucratie. Hij ziet wat ze (wij) hebben bereikt. Voor de bureaucratie was er willekeur. De vorst gaf gunsten aan wie hem aanstond. De meester gaf het diploma aan wie hij aardig vond. Toen heette dat feodaal misschien. Nu noemen we dat Trumpiaans. De moderne bureaucratie maakte daar een einde aan. Iedereen kreeg hetzelfde formulier. Sine ira et studio, schreef Weber. ‘Zonder woede, zonder voorkeur’. Dat was vooruitgang.
Even iets over die zin ‘Sine Ira’…, die is niet van Weber zelf. Hij komt uit de openingsregels van de Annalen van Tacitus, een Romeinse historicus die de woorden rond het jaar 110 schreef. Tacitus belooft daarmee dat hij de geschiedenis van Rome zal opschrijven zonder boos te worden op de keizers en zonder iemand te willen plezieren. Letterlijk: zonder woede en zonder hartstocht. Wij zouden zeggen: zonder aanzien des persoons. Of ‘objectief’ of zoiets.
Weber pikte die zin op uit Tacitus. Tacitus pikte het idee op zijn beurt uit de Romeinse rechtspraktijk. Achter die rechtspraktijk zit een nog ouder ideaal wat weer teruggaat op Aristoteles, die schreef dat de wet boven de mens moet staan, juist omdat de mens nu eenmaal woede en voorkeuren heeft.
Tweeduizend jaar lang loopt diezelfde gedachte mee en landt nu bij Weber in het postvakje bureaucratie (pun intended): De ambtenaar mag niet harder zijn voor wie hem niet aanstaat, niet zachter voor wie hij mag.
Hij moet doen wat er staat.
Weber haalt die gedachte in 1919 binnen om iets nieuws te beschrijven: het moderne ambtenarenapparaat. Hij bewondert het. Hij vindt het de zuiverste vorm van rechtvaardigheid die de mensheid ooit heeft uitgevonden. En tegelijk maakt het hem bang.
Hij onderscheidt twee soorten rationaliteit.
📋Formele rationaliteit kijkt of de procedure klopt.
📦Materiële rationaliteit kijkt of de uitkomst goed is.
Die twee groeien in een moderne organisatie uit elkaar. De formele kant laat zich meten. De materiële kant laat zich dat niet; is veel subjectiever.
Dus de formele kant wordt dominant.Het is het enige wat het systeem zelf kan registreren.
Aan het einde van een eerder werk, uit 1905, gebruikt Weber een beeld van het stahlhartes Gehäuse. Talcott Parsons vertaalt het later als "iron cage". Wij zeggen: de ijzeren kooi.
Het beeld klopt. Een kooi is ontworpen, iemand heeft hem gebouwd, hij dient een doel. En tegelijk maakt hij de bewoner tot gevangene.
De kooi werkt perfect. Maar de kooi betekent niets meer.
Het vakje
Ok genoeg over kooien, oude grieken en verdwaalde Romeinen. Terug naar stages.
Wat er die donderdagochtend in Almere gebeurt, gebeurt in tienduizend leerbedrijven door heel Nederland. Een stagiair doet iets. Soms iets wat in een protocol staat, soms iets wat alleen werkt omdát het in geen protocol staat.
Een praktijkopleider ziet het, of ziet het niet, en moet er een oordeel over vellen. Dat oordeel wordt vastgelegd in een vakje. En dat vakje is van tevoren ontworpen.
Daar zit het.
Iemand in een vergaderzaal ibij SBB in Zoetermeer, of bij een adviseur in en beleidscommissie heeft op een gegeven moment besloten wat er in dat vakje moet staan. Diegene was vermoedelijk goedwillend, vakkundig, gericht op kwaliteit. Hoog opgeleid.
Het vakje is zo gemaakt dat het auditeerbaar is. Dat het gelijk is voor alle stagiairs in Nederland. Dat de inspectie er iets mee kon. Sine Ira et Studio
Verstandig ontworpen, dus. Op één punt na. Het kan niet registreren wat Yara op kamer 12 deed.
De SBB-adviseur op bezoek
Een paar weken later komt de adviseur praktijkleren van SBB langs in het verzorgingshuis. Bram heet hij. Hij heeft een afspraak met Carmen om de erkenning van het leerbedrijf opnieuw te bekijken. Vriendelijk, in de veertig, vijftien jaar in de zorg gewerkt voordat hij naar SBB ging.
Bram controleert of de begeleiding op orde is. Of er voldoende werkzaamheden zijn die aansluiten bij het kwalificatiedossier. Of Carmen voldoende tijd heeft voor begeleiding. Of de praktijkopleider gecertificeerd is. Of het bedrijf de stagiair een veilige werkomgeving biedt.
Hij stelt slimme vragen. Hij prikt door losse antwoorden heen van de begeleider die wel roept dat er genoeg tijd voor begeleiding is maar dat overduidelijk niet heeft. Hij doet zijn werk goed. Wat hij niet kan doen, en wat zijn rol hem ook niet toestaat, is naast Carmen op de rand van het bed van mevrouw Pinas gaan zitten. Dat zou ook niet werken. Hij heeft duizend van de ruim 250.000 leerbedrijven in zijn portefeuille, en bij elk daarvan kan hij hooguit een paar uur per jaar binnenlopen.
Dus kijkt hij naar wat zich wel laat kijken. Erkenningseisen, begeleidingsuren, de papieren waaruit blijkt dat het bedrijf voldoet. Hij stelt zijn rapport op, de erkenning wordt verlengd. En toch weet Bram, als hij 's avonds in zijn auto zit, dat het belangrijkste hem is ontgaan. Hij weet niet of Yara een goede zorgverlener wordt. Hij weet of het leerbedrijf aan de eisen voldoet. Dat is iets anders.
Een paar dagen later komt Karin langs, de stagebegeleider vanuit school. Zij heeft het iets makkelijker dan Bram. Ze kent Yara persoonlijk, heeft haar in de klas zien zitten. Ze drinkt koffie met Carmen en hoort het verhaal van kamer 12. Ze knikt. "Mooi", zegt ze.
Dan opent ze haar laptop en gaat de reflectievragen door. Daar wordt ze namelijk op afgerekend door haar teamleider. Of het portfolio is bijgewerkt. Of de tussenevaluatie is afgerond. Of Yara haar leerdoelen heeft geformuleerd in de juiste taal.
Karin weet dat het verhaal van kamer 12 ergens in dat portfolio terecht moet komen. Ze weet ook dat er geen plek voor is. Ze schrijft op: "Yara toont goede communicatieve vaardigheden en empathisch vermogen in contact met cliënten." Ze klikt op opslaan.
En dat is wat straks meetelt voor het diploma. Niet het neuriën op kamer 12. Niet wat Carmen heeft gezien. Die zin die Karin opschreef. Twee jaar lang stapelen die zinnen zich op in het portfolio, en aan het einde van die twee jaar bepaalt de optelsom of Yara slaagt. Het vakje beslist, niet de ochtend.
Wat het systeem niet kan zien, ziet niemand
Zoals je wellicht merkt ontstaat hier een pijnlijk knelpunt. Want het is niet alleen dat de formulieren niet registreren wat Carmen ziet. Het is dat het systeem, omdat het de formulieren als enige bron heeft, na verloop van tijd vergeet dat er iets ongeregistreerd blijft.
In het eerste jaar dat een nieuw kwalificatiedossier wordt ingevoerd, weet iedereen nog dat het vakje een vereenvoudiging is van de werkelijkheid. Carmen weet het. Karin weet het. Bram weet het. Het vakje is een afspraak, een handzame manier om iets ingewikkelds vast te leggen.
Tien jaar later weet niemand het meer. Het vakje ís de werkelijkheid geworden. Een nieuwe generatie praktijkopleiders is opgeleid met dat vakje. Een nieuwe generatie stagebegeleiders kent de stage alleen via dat vakje. Een nieuwe generatie SBB-adviseurs controleert het zonder ooit te hebben gezien wat eronder zit. De afspraak is een feit geworden. De landkaart is het land geworden.
Dat is wat Weber bedoelde met de kooi: We worden er niet in opgesloten door een boze cipier die ruzie met zn vrouw heeft en dus een slecht humeur.
We vergeten gewoon dat het een kooi is. We gaan denken dat de tralies de wereld zijn.
Michael Polanyi, een Hongaars-Britse natuurkundige en filosoof, schreef in 1958 iets dat hierbij past. Hij noemde het ‘tacit knowledge’: kennis dat je hebt zonder dat je het kunt uitleggen. De manier waarop een ervaren chirurg weet dat een tumor goedaardig is voordat de patholoog het bevestigt. Dat het minder goed gaat met mevrouw Pinas door de manier waarop de ademt. Dat de CV ketel een probleem heeft door te luisteren…
De manier waarop Carmen ziet dat Yara iets in zich heeft wat het meeste mbo-onderwijs niet kan leren. "We can know more than we can tell", schreef Polanyi. We weten meer dan we kunnen zeggen. En de tragedie van de moderne organisatie is dat ze alleen kan registreren wat zich laat zeggen.
Wat we hier niet gaan doen
De voor de hand liggende conclusie zou nu kunnen zijn: schaf de formulieren maar af. Vertrouw de Carmens van deze wereld. Geef de stage terug aan de praktijk.
Mooi idee, maar het werkt niet. De wereld waarin Carmen alleen op haar oordeel kan vertrouwen, is een wereld waarin de Carmens die niet zo goed zijn als zij ook alleen op hun oordeel vertrouwen. En die zijn er ook. Praktijkopleiders die hun stagiairs niet goed behandelen. Leerbedrijven die ze gebruiken als gratis arbeidskracht. Scholen die zich voor niets verantwoordelijk voelen.
De bureaucratie houdt die dingen in toom; het is een soort vangrails. Dat lukt niet helemaal, niet altijd. Maar ze houdt ze in toom. Zonder bureaucratie schiet de praktijk alle kanten op. Dat is wat Weber zag en wat we soms vergeten. De willekeur die de bureaucratie verving was niet hypothetisch. Ze was er. Ze kan terugkomen.
Wat overblijft
Het portfolio van Yara wordt straks ingeleverd. Carmen tekent. Karin keurt goed. Yara haalt over twee jaar haar diploma. Mevrouw Pinas is in december overleden. Het neuriën op kamer 12 staat nergens vast.
Wat blijft is iets wat het systeem niet kan opslaan. Yara heeft die ochtend iets gedaan wat ze in haar verdere carrière waarschijnlijk nog duizend keer zal doen. Ze wordt er steeds beter in. Het wordt haar kennis, in de zin van Polanyi.
Als Yara over vijfentwintig jaar zelf praktijkopleider wordt, en ze ziet een tweedejaars stagiair op de rand van een bed naast een dementerende mevrouw zitten, herkent ze het. Ze kruist in het portfolio een vakje aan dat niet helemaal past, omdat geen enkel vakje helemaal past. Ze heeft er vrede mee.
Tenzij ze tegen die tijd is opgebrand. Of weggegaan. Of geen tijd meer heeft om naar de monitor te kijken omdat ze drie banen tegelijk doet voor anderhalve baan en de enige waar op gelet wordt de papieren is.
Weber hoopte dat er altijd Carmens zouden zijn die in stilte het werk doen dat de kooi niet kan registreren. Hij vermoedde tegelijk dat de kooi langzaam wint; dat er steeds minder van die Carmens zijn. Dat hun weten op een gegeven moment uitsterft omdat de volgende generatie er niet meer mee opgroeit.
We werken met een systeem dat alleen kan zien wat het kan meten, en dat steeds minder kan meten wat ertoe doet.
Ergens in Almere staat een verzorgingshuis.
Op kamer 12 ligt nu iemand anders.
Carmen is morgen weer aan het werk.
Wil je verder denken over kwaliteit van werkplekleren? Schrijf je in voor de nieuwsbrief Werf Slim, of bekijk de BPV Quickscan om te meten hoe het in jouw organisatie staat.
