Vleermuis🦇

Wat een vleermuis met je stagiair te maken heeft

Stel je een begeleider voor. Die begeleider die zegt dat zijn stagiair hem altijd alles mag vragen. Geen probleem. Altijd. Hij meent het. De stagiair knikt enthousiast, gaat aan het werk en vraagt de hele ochtend precies helemaal niets.

Na de lunch vindt de begeleider eigenlijk dat er wel wat meer initiatief mag komen.

De stagiair heeft intussen heus wel een hoop vragen. Hij weet alleen nog niet of je iemand midden in een telefoongesprek mag onderbreken. Of die duidelijk geïrriteerde zucht over hem gaat. Of je iets opnieuw mag vragen wanneer je het gisteren ook al is uitgelegd. Drie keer. De begeleider kent intussen de mensen, het werk en de ongeschreven regels.

De student probeert op zijn beurt vooral uit te vinden waar hij zijn jas moet laten.

Bij zo’n situatie wil ik weten wat we eigenlijk bedoelen met ‘hij mag altijd vragen stellen’. Want wat moet iemand al weten om van die toestemming gebruik te kunnen maken? Daar kan een filosoof bij helpen die zich ruim vijftig jaar geleden afvroeg hoe het is om een vleermuis te zijn.

Ik begrijp dat dit een omweg lijkt. Je komt voor stagebegeleiding en krijgt een vliegend zoogdier. Tenzij je stage loopt bij Batman, maar die kans lijkt me vrij klein (en als het wel zo is, best wel tof)

Toch zoek ik die zijstraat graag op. Bij stages en samenwerking gebruiken we woorden als ‘zelfstandigheid’, ‘betrokkenheid’ en ‘begeleiding’ alsof iedereen daar ongeveer hetzelfde onder verstaat. Vervolgens schrijven we afspraken op en kijken we wie zich eraan houdt.

Prachtig. Maar ik wil wel even terug naar de vraag of we wel begrijpen wat die afspraken van mensen vragen. En daar is Thomas Nagel heel handig bij.

Thomas Nagel publiceert in 1974 zijn essay ‘What Is It Like to Be a Bat?’ Een vleermuis neemt zijn omgeving onder meer waar via echolocatie: hij maakt geluidjes en gebruikt de terugkerende echo’s om niet in het donker ergens tegenaan te botsen. We kunnen onderzoeken hoe dat werkt. We kunnen ook proberen ons voor te stellen hoe wij ondersteboven aan een zolderbalk hangen en daarna een mot uit de lucht plukken.

Je moet iets met je avond.

Alleen stelt Nagel een andere en veel interessantere vraag: hoe is het voor die vleermuis zelf? Onze verbeelding gebruikt de ervaringen die wij al hebben. We krijgen hooguit een voorstelling van hoe het voor ons zou zijn om ons als vleermuis te gedragen. Nagel gebruikt dat verschil om te onderzoeken hoe de subjectieve ervaring van een organisme past in een objectieve verklaring van bewustzijn.[1] Met andere woorden: Hoe die ervaring van de vleermuis past bij de objectieve verklaring van het bewustzijn van die vleermuis.

Met een stagiair kun je gelukkig gewoon praten. Het verschil tussen twee mensen is natuurlijk niet zo groot als die tussen een mens en een vleermuis; een andere ervaring is ook niet per definitie onbegrijpelijk. Ik gebruik Nagel hier om het eigen begrip te onderzoeken: Wat weet ik over een situatie wanneer ik kan uitleggen hoe zij georganiseerd is? Weet ik dan echt alles? En wat moet ik nog te weten komen van degene die erin zit?

Neem die begeleider. Die kan oprecht denken: als ik iets niet wist, zou ik het echt vragen. Alleen neemt hij in dat denkbeeldige moment mogelijk zijn huidige vakkennis, opgebouwde zelfvertrouwen en positie mee. In zijn hoofd loopt er dan geen stagiair maar een semi-ervaren medewerker rond met een tijdelijk bezoekerspasje.

De student moet op datzelfde moment nog ontdekken welke vragen hij heeft, hoe hij die goed formuleert en bij wie hij met die vragen terechtkan. Wat de begeleider een kleine onderbreking vindt van een BEST-BELANGIRJKSE-KLUS-MAAR-GEEN-PROBLEEM-HOOR, kan voor de student voelen als het moment waarop duidelijk wordt dat hij hier eigenlijk nog net niets kan. Dat vermoeden hoeft niet te kloppen om hem stil te houden.

Ik zou dus heel voorzichtig zijn met de conclusie dat we iemand begrijpen omdat we ons in hem hebben verplaatst. Misschien hebben bij dat verplaatsen we vooral uitgebreid nagedacht over wat wij zelf zouden doen.

Vraag het gewoon

Psychologen Tal Eyal, Mary Steffel en Nicholas Epley onderzochten dat idee in 2018. Ze wilden vooral weten of de opdracht om andermans perspectief in te nemen mensen ook daadwerkelijk helpt nauwkeuriger in te schatten wat die ander denkt of voelt. In 25 experimenten vonden ze opvallend genoeg helemaal geen consistent voordeel. In een laatste experiment werkte iets anders wel heel goed: rechtstreeks informatie krijgen via een gesprek.[2]

Hun onderzoek gaat over het beoordelen van andere mensen, niet specifiek over stages maar het is wel glashelder dat het loont om vooral door te vragen zodra iemand zegt dat hij best begrijpt hoe spannend zo’n eerste week is. Wat is er spannend? De opdracht? De collega die steeds passief-aggresief zucht met oogrol en alles? Voor de derde keer iets moeten vragen? Met ‘ik snap het’ kun je de stagiair dus begripvol aankijken. Je kunt ook de deur dichtgooien. Want die stagiair denkt ‘je snapt het helemaal niet’

Bij de samenwerking tussen onderwijs en bedrijven kan iets vergelijkbaars gebeuren. Stel dat een school ondernemers uitnodigt voor een bijeenkomst over het tekort aan stageplaatsen. Er ligt al een voorstel om meer leerbedrijven te werven. Een ondernemer begint over de uren die begeleiding kost. Hij zou graag een student ontvangen, alleen krijgt hij het werk nu al nauwelijks gepland.

De organisator wil weten hoe er meer plekken komen. De ondernemer wil op haar beurt weten hoe ze iemand behoorlijk kan opleiden. Vanuit de eerste vraag ligt een wervingscampagne voor de hand. Vanuit de tweede wil je het misschien hebben over begeleidingstijd, ondersteuning of de manier waarop een student begint.

Ze kunnen de hele avond beleefd naar elkaar luisteren, driftig ‘ik snap het knikken’ en toch met verschillende problemen naar huis gaan. De ondernemer is gehoord. Het plan blijft geduldig staan. Een maand later vraagt een nieuwe organisator zich af hoe hij bedrijven meer betrokken krijgt.

Als dat gebeurd, en dat gebeurd best vaak, dan wil ik terug naar het begin van die bijeenkomst. Wie heeft het probleem omschreven? Kon de ondernemer daar nog iets aan veranderen? Wat gebeurde er toen zijn ervaring aanleiding gaf om een andere vraag te stellen?

Methodiek

Bij de stagiair helpt zo’n gesprek me ook kiezen hoe ik de begeleiding kan aanpakken. Dat is waar mijn EIF-methodiek op aansluit. Ik probeer te achterhalen wat iemand nodig heeft en welke rol van mij daarbij helpt. Heeft hij uitleg nodig, een afspraak over wat hij mag doen, of ruimte om zelf een oplossing te bedenken?

Als manager kan ik structuur bieden en verwachtingen verduidelijken. Als adviseur kan ik kennis of een concrete aanpak aanreiken. Als coach kan ik iemand helpen zijn eigen afweging te maken. Die rollen zijn allemaal bruikbaar. Ik moet alleen onderzoeken welke op dat moment past. Een student die een handeling nog nooit heeft gezien, heeft weinig aan vijf vragen waarmee hij zelf tot de ontbrekende uitleg moet komen.

Daarvoor is ‘wat heb je nodig?’ soms nog een lastige vraag. Een beginner weet niet altijd welke kennis hij mist of welke hulp hier mogelijk is. Ik kan hem laten vertellen waar hij vastliep, samen naar zijn werk kijken of iets voordoen en nagaan wat dat oplost. Zo probeer ik te begrijpen wat hem verder helpt, zonder te verwachten dat hij eerst zijn eigen begeleiding ontwerpt.

Het gesprek kan dus gevolgen hebben voor mijn rolkeuze. Misschien moet ik iets uitleggen terwijl ik van plan was hem zelf te laten zoeken. Misschien kan ik juist wat afstand nemen. Of ik moet zorgen dat de begeleidingstijd die ik beloof ook in mijn agenda bestaat.

Natuurlijk weet iemand die een situatie ervaart niet automatisch wat de beste oplossing is. Een student kan een volgende stap over het hoofd zien. Een begeleider kan zijn eigen planning onhandig hebben ingericht. En soms is er werkelijk te weinig tijd of personeel. Ook wanneer iedereen elkaar volledig begrijpt, moet er dan nog iemand een rooster veranderen.

Daarom haal ik die vleermuis erbij. Ze helpt me twijfelen aan wat ik denk te weten voordat ik het gedrag van een ander beoordeel. Bij ‘weinig initiatief’ wil ik weten wat iemand durft en begrijpt. Bij ‘weinig betrokkenheid’ wil ik weten wat iemand kan veranderen.

Die begeleider van het begin kan zijn stagiair vanmiddag eens vragen: ‘Was er vanochtend iets wat je wilde vragen en toch niet vroeg?’ Dan hoort hij misschien iets waarmee hij morgen rekening kan houden. Hij hoeft er niet eens voor aan een zolderbalk te hangen.

Bronnen die ik las

[1] Thomas Nagel (1974), What Is It Like to Be a Bat?, The Philosophical Review, 83(4), 435–450.

https://cse.buffalo.edu/courses/cse725/peter/Nagel_1974.pdf

[2] Tal Eyal, Mary Steffel en Nicholas Epley (2018), Perspective Mistaking: Accurately Understanding the Mind of Another Requires Getting Perspective, Not Taking Perspective, Journal of Personality and Social Psychology, 114(4), 547–571.

https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/29620401/

Volgende
Volgende

De stagiair als held