Gratis opleiden
De scheve verhouding tussen wat een leerbedrijf krijgt en moet leveren.
We roepen al jaren dat we “meer leerwerkplekken” nodig hebben. Maar als je naar de cijfers kijkt, is het net alsof we tegen leerbedrijven zeggen: “Wil je even helpen de onderwijshuisbrand te blussen? Je krijgt er 2.700 euro en een bos bloemen voor terug.”
In deze blog neem ik je mee door de rekensom achter bpv en BBL, met bedragen en een paar overzichtelijke rijtjes. Ik merk dat dit nodig is om een fair oordeel te vellen over de samenwerking tussen onderwijs, overheid en bedrijfsleven om de vakmensen van morgen op te leiden. Zonder cijfers blijft het bij “samen”, “verbinden” en “maatschappelijke verantwoordelijkheid”. Dat zijn precies het soort woorden waarmee je ongemakkelijke feiten heel netjes kunt inpakken. En ongemakkelijke feitjes? Die zijn er.
64 miljard euro naar onderwijs: wat krijgt het leerbedrijf?
Eerst de grote getallen. In 2024 gaat er in Nederland in totaal bijna 64 miljard euro naar onderwijs. Dat is alles bij elkaar: bekostiging van scholen, roc’s, hogescholen, universiteiten, onderzoek en studiefinanciering.[1]
Wie betaalt dat?
- Overheid: 52,9 miljard euro.
- Huishoudens: 6,1 miljard euro.
- Bedrijven: 4,3 miljard euro.
- Buitenland: 0,6 miljard euro.
[1]
En wie ontvangt dat?
- Onderwijsinstellingen (totaal): 59,2 miljard euro.
- Waarvan overheid: 49,7 miljard euro.
- Waarvan huishoudens: 4,4 miljard euro.
- Waarvan bedrijven: 4,5 miljard euro.
- Waarvan buitenland: 0,6 miljard euro.
[1]
De uitgaven aan instellingen zijn goed voor 5,2 procent van het bbp. Onderwijs is dus een XXL‑uitgavenpost. Mogen we terecht trots op zijn.[1]
Dan is wel de vraag: wat gaat hiervan rechtstreeks naar die onmisbare leerbedrijven?
Daarvoor moeten we naar de enige regeling die echt specifiek op hen gericht is: de subsidieregeling praktijkleren. Voor studiejaar 2024–2025 is er ongeveer 261,7 miljoen euro beschikbaar:[2][3]
- Mbo: 253,4 miljoen euro.
- Hbo: 5,0 miljoen euro.
- Wo: 2,2 miljoen euro.
- Vmbo/vso/pro: 1,1 miljoen euro.
- Maximale subsidie per plek: 2.700 euro per jaar.
Zet dat naast de 52,9 miljard euro die de overheid jaarlijks aan onderwijs uitgeeft, dan krijg je ongeveer dit beeld:
- Overheidsuitgaven onderwijs: 52,9 miljard euro.
- Praktijklerenbudget totaal: circa 0,26 miljard euro.
- Aandeel praktijkleren in onderwijsuitgaven: ongeveer 0,5 procent.
[1][2]
Dan is dat miljoenenbedrag ineens peanuts. Reken maar uit: Van elke 100 euro die de overheid aan onderwijs uitgeeft, komt dus ongeveer 50 cent direct bij leerbedrijven terecht. De rest stroomt langs hen heen via instellingen en andere posten.
Ondertussen vragen we diezelfde bedrijven wel om meer plekken, betere begeleiding, passende vergoedingen en aandacht voor kansengelijkheid. We vragen dus veel, terwijl we op macroniveau relatief weinig naar hen doorschuiven.
De stille rekening van een leerwerkplek
Aan de bedrijfszijde ziet de werkelijkheid er heel anders uit. Een leerwerkplek, stage of BBL‑plek is geen gratis extra paar handen.
Een plek betekent in de praktijk onder andere:
- uren van ervaren medewerkers die uitleggen, meelopen, fouten herstellen, gesprekken voeren en beoordelen;
- productiviteitsverlies, omdat iemand in opleiding langzamer werkt en meer aandacht vraagt;
- bij BBL: loonkosten, terwijl de student nog niet volledig inzetbaar is;
- extra overleg met school: administratie, BPV‑overeenkomsten, voortgangs- en eindbeoordelingen;
- risico’s en verantwoordelijkheden rond veiligheid, kwaliteit en klantcontact.
Onderzoek naar BBL en bpv laat netto kosten per student zien die kunnen oplopen tot duizenden euro’s per jaar als je begeleidingsuren, loonkosten en productiviteitsverlies eerlijk meerekent.[4] Daar zet de overheid dan maximaal 2.700 euro per plek tegenover en in sommige gevallen minder, als het budget over veel aanvragers verdeeld moet worden.[2][3]
De bottom line voor het leerbedrijf is dus vaak:
- zekere kosten: hoog;
- zekere subsidie: beperkt;
- zekere bedankjes: ruim voldoende;
- zekere terugverdientijd: onbekend.
Het wordt nog interessanter als je inzoomt op de maatschappelijke baten.
BBL levert 1,393 miljard op: niet voor wie opleidt
SEO Economisch Onderzoek heeft uitgezocht wat BBL de samenleving oplevert. Hun conclusie: het positieve maatschappelijke saldo is 1,393 miljard euro per jaar.[4]
Die 1.393 miljoen wordt ongeveer zo verdeeld:[4]
- Overheid: 962 miljoen euro (69 procent), vooral door hogere belastinginkomsten en lagere uitkeringslasten.
- Studenten: 308 miljoen euro (22 procent), via een hoger levensloopinkomen.
- Bedrijfsleven: 124 miljoen euro (9 procent), meer productiviteit minus extra begeleidingskosten.
In datzelfde onderzoek wordt de jaarlijkse subsidie voor BBL geraamd op 194 miljoen euro.[4]
Voor de overheid ziet de balans er ongeveer zo uit:
- Subsidie praktijkleren (BBL): 194 miljoen euro kosten.
- Baten overheid uit BBL: 962 miljoen euro voordeel per jaar.
[4]
In gewone taal:
- De overheid stopt 194 miljoen euro in BBL‑subsidie en krijgt 962 miljoen euro aan baten terug.
- BBL‑studenten samen krijgen 308 miljoen euro voordeel over hun loopbaan.
- Het volledige bedrijfsleven houdt 124 miljoen euro over nadat alle kosten en opbrengsten zijn verrekend.
Maatschappelijk gezien is BBL dus een uitstekende deal. Voor de overheid zeker: 194 miljoen erin, 962 miljoen eruit. Voor studenten ook: 308 miljoen extra aan levensloopinkomen.[4]
Voor leerbedrijven is het beeld diffuser. Zij dragen grote, zichtbare kosten per plek, terwijl hun deel van de maatschappelijke winst relatief klein is en wordt uitgesmeerd over alle bedrijven samen.[4]
Hoe we bedrijven aanspreken: samen met andermans portemonnee
Tegelijkertijd is de toon in het debat vrij eenduidig. We zeggen dingen als:
- “Bedrijven moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.”
- “We moeten samen zorgen voor voldoende leerwerkplekken.”
- “Een goede werkgever leidt op.”
Leerbedrijven worden in Stagepacten en convenanten “onmisbaar” genoemd, krijgen een award of een plek in een inspirerend filmpje. De morele druk en symbolische waardering zitten dus wel goed.[2][10]
Maar stel dat je een mkb‑ondernemer bent. Je ziet dat:
- er bijna 64 miljard euro naar onderwijs gaat, waarvan 52,9 miljard uit publieke middelen;[1]
- alle leerbedrijven samen ongeveer 261 miljoen euro aan praktijkleren‑subsidie krijgen, zo’n 0,5 procent van de overheidsuitgaven aan onderwijs;[1][2]
- BBL maatschappelijk 1,393 miljard euro oplevert, met 962 miljoen voor de overheid, 308 miljoen voor studenten en 124 miljoen voor het bedrijfsleven;[4]
- je eigen organisatie per student duizenden euro’s aan tijd, begeleiding en productiviteitsverlies investeert.[4]
Als je dan zegt: “Ik weet niet of ik nog meer plekken kan bieden, zeker voor studenten die veel begeleiding nodig hebben”, ben je in het debat al snel “niet coöperatief”.
Het punt is niet dat bedrijven zielig zijn. Het punt is dat we een systeem hebben gebouwd waarin:
- de grote winst van beroepsonderwijs vooral bij overheid en studenten terechtkomt;
- de zekere kosten en risico’s bij leerbedrijven liggen;
- en de morele druk óók vooral op die leerbedrijven wordt gelegd.
De discussie over een verplichte stagevergoeding
Een goed voorbeeld van die spanning is de discussie over een verplichte stagevergoeding. In het landelijke Stagepact mbo is afgesproken dat elke mbo‑student recht heeft op een passende vergoeding en dat richting verplichting wordt bewogen als dat niet lukt.[10] Vanuit het perspectief van studenten en kansengelijkheid is dat volkomen logisch: een stage mag geen luxe zijn die alleen haalbaar is voor wie het zich kan permitteren.
Maar kijk er even door de bril van het leerbedrijf naar. Voor een stagevergoeding van bijvoorbeeld 150 tot 350 euro per maand, boven op begeleidingsuren, productiviteitsverlies en administratieve last, komt er weer een harde kostenpost bij een partij die in het huidige systeem al de meeste kortetermijnkosten draagt.[2][4] De maximale tegemoetkoming vanuit de overheid blijft tegelijkertijd 2.700 euro per jaar, ongeacht hoeveel extra begeleiding en vergoeding een specifieke student vraagt.[2]
Dat veel bedrijven schrikken van het idee van een verplicht minimum, betekent dus niet automatisch dat ze studenten “niets gunnen”. Het betekent vaak dat ze de optelsom maken: meer verplichtingen, meer risico, dezelfde beperkte compensatie. In een financieringsmodel waarin overheid en studenten het grootste deel van de financiële baten incasseren, is die reflex minstens begrijpelijk.
Waarom dit onze onderwijsdoelen direct raakt
Je kunt zeggen: zo is het nu eenmaal. Maar deze scheve ruil raakt precies de doelen waar we wél warm voor lopen:
- voor elke mbo‑student een goede stageplek;
- betere kansen voor studenten die meer begeleiding nodig hebben;
- minder voortijdige uitval;
- voldoende vakmensen in zorg, techniek, onderwijs en andere tekortsectoren.
En laat dat nu precies de plekken zijn waar de rekensom voor bedrijven het lastigst is: entree, mbo‑2 en complexere doelgroepen. Daar is de maatschappelijke nood het hoogst en de individuele businesscase het kwetsbaarst.[4][5][6]
SBB laat bijvoorbeeld zien dat het aantal entreestudenten groeit en dat 1,8 procent van alle entreestudenten (niveau 1) nog geen stageplek heeft, tegenover 0,9 procent bij de andere mbo‑niveaus.[6] Dat lijkt een klein verschil, maar in absolute aantallen gaat het over honderden studenten in de kwetsbaarste groep. Het beeld dat opleidingen schetsen, sluit daarbij aan: bedrijven zijn vaker enthousiast over mbo‑3 en mbo‑4, maar een stuk terughoudender bij entree en niveau 2.
Als je de rekensom uit deze blog erbij pakt, is dat niet zo vreemd. Studenten op lagere niveaus vragen gemiddeld meer begeleiding, zijn langer minder productief en brengen meer risico met zich mee. De vergoeding blijft hetzelfde: maximaal 2.700 euro per plek, in hetzelfde systeem waarin de grootste financiële winst bij overheid en studenten terechtkomt.[2][4]
In beleid en publiek gesprek reageren we op die terughoudendheid vaak teleurgesteld. We plakken het label “niet coöperatief” of “te weinig maatschappelijk betrokken” op bedrijven die geen entree‑ of niveau‑2‑plekken aanbieden. Met de cijfers in de hand kun je minstens zeggen: het is begrijpelijk gedrag binnen een ruil die voor hen structureel ongunstig is.
Zolang de ruil blijft zoals hij nu is, met 0,5 procent van de onderwijsuitgaven direct naar leerbedrijven en 1,393 miljard euro maatschappelijk saldo waarvan 124 miljoen bij werkgevers, vragen we in feite: “Wil je meebetalen aan onze onderwijsdoelen en als je nee zegt ben je niet sociaal genoeg?”[1][2][4]
Dat is geen duurzame strategie.
En nu?
Dit is geen pleidooi om het onderwijsbudget “naar bedrijven over te hevelen”. Het is een pleidooi om eerlijk te zijn over de ruil. Zolang we die scheef laten, kunnen we convenanten blijven tekenen en inspiratiesessies organiseren, maar verandert er voor de mensen die studenten dagelijks begeleiden weinig.
Wat mij betreft is de eerlijke conclusie:
- We leunen structureel zwaar op leerbedrijven.
- We geven ze structureel weinig terug, vergeleken met wat er in het systeem omgaat.
- We zetten sociale druk in waar we ook financiële randvoorwaarden zouden moeten aanpassen.
In een volgende blog zoom ik in op één stad: Amsterdam. Daar wordt 35 miljoen euro extra in het mbo geïnvesteerd en 4,6 miljoen in projecten, bovenop de landelijke stromen.[7][8][9] Hoe ziet de ruil daar uit en wat kan een gemeente wél doen om de balans iets minder scheef te maken?
“Samen” is prachtig. Maar samen met een kloppende rekensom is nog net iets eerlijker.
Bronnen
- Ministerie van OCW. (2026). Totale uitgaven aan onderwijs. OCW in cijfers. Opgehaald van https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/onderwijs-algemeen/uitgaven/totale-uitgaven-aan-onderwijs
- Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. (2026). Subsidieregeling praktijkleren. Opgehaald van https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren
- SNP Adviseurs. (z.d.). Subsidie praktijkleren 2024–2025. Opgehaald van https://snpadviseurs.nl/subsidie-praktijkleren-2023-2024/
- SEO Economisch Onderzoek. (2020). De maatschappelijke kosten en baten van de beroepsbegeleidende leerweg. Opgehaald van https://www.seo.nl/publicaties/de-maatschappelijke-kosten-en-baten-van-de-beroepsbegeleidende-leerweg/
- Panteia & Etil / SBB. (2024). Kans op werk 2024–2026: Verantwoordingsrapportage. Beschikbaar via het publicatie-archief van SBB.
- SBB. (2025, 2 december). Stagebarometer: 4.404 mbo-studenten zoeken nog een stage. Opgehaald van https://www.s-bb.nl/nieuws/stagebarometer-4404-mbo-studenten-zoeken-nog-een-stage
- Gemeente Amsterdam. (2023). Onderwijs – Begroting 2024. Opgehaald van https://magazines.amsterdam.nl/begroting-2024/onderwijs
- Amsterdams Dagblad. (2024, 17 januari). Amsterdam investeert ruim 4,6 miljoen euro in mbo-projecten. Opgehaald van https://www.amsterdamsdagblad.nl/gemeente/amsterdam-investeert-ruim-46-miljoen-euro-in-mbo-projecten
- Gemeente Amsterdam & partners. (2026). Tweede voortgangsrapportage MBO-Agenda en Economisch Arbeidsmarktbeleid. Opgehaald van https://openresearch.amsterdam/nl/page/132555/tweede-voortgangsrapportage-mbo-agenda-en-economisch
- Rijksoverheid & SBB. (2023). Stagepact mbo 2023–2027. Opgehaald van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/02/14/stagepact-mbo
