Blinde vlek
Wat kunnen we zeggen over Eva?
Er staat een stoel. Schuin. Daarop zit Eva, de stagiair. Iedereen ziet haar. Maar wat zíen we eigenlijk?
Ik ben niet de eerste die zich afvraagt waarom stages niet werken zoals we hopen. Doe ik wel vaak, is immers mn vak. Maar toch. Er zijn rapporten geschreven, pilots gedraaid, convenanten gesloten. We hebben het probleem inmiddels van alle mogelijke kanten bekeken: arbeidsmarkteconomisch, onderwijskundig, juridisch, organisatiekundig, pedagogisch… En toch blijft er iets hangen. Een gevoel dat we op dit onderwerp continue langs elkaar heen praten. Dat we steeds dezelfde oplossingen proberen voor een probleem, maar dat we over het hoofd zien dat he probleem misschien niet het probleem is. Of dat dit probleem op zich in de goede richting zit, maar verkeerd is geformuleerd.
Daarom kies ik hier een omweg. Ik ga niet nóg een analyse doen van stagecapaciteit of begeleidingsmodellen. In plaats daarvan wil ik een stapje terugzetten en vragen waarom onze blik zo blijft hangen in diezelfde organisatorische logica. Waarom zien we stages eigenlijk zoals we ze zien?
Dit is dus een vraag over een manier van kijken; perceptie. Over hoe onze manier van kijken bepaalt wat we als probleem herkennen en waar we de oplossing zoeken. En voor dat soort vragen heb ik twee oude brillen die altijd in mijn kast staan (letterlijk) en die nog verrassend scherp blijken: die van essayisten Susan Sontag en John Berger.
Ja, ze zijn allebei uit de jaren zeventig. Ja, ze hadden het over fotografie en schilderkunst, niet over stages. Maar precies dat maakt ze interessant. Want Sontag en Berger lieten zien hoe beelden (foto's, schilderijen, representaties van de wereld) onze relatie tot de werkelijkheid fundamenteel veranderen. Hoe we door ze te ‘consumeren’denken dat we die wereld begrijpen, terwijl we juist op afstand blijven. Hoe we door te fotograferen denken dat we vastleggen, terwijl we juist abstracteren. Het blijft een filter. We zien Google Maps, niet het terrein zelf.
En dat is precies wat we met stages doen. We hebben ze omgetoverd tot beelden: competentieprofielen, portfolio's, evaluatieformulieren. We denken dat we het leerproces zo tastbaar kunnen maken, maar eigenlijk maken we het afstandelijk. We vervangen de rommelige, relationele dagelijkse werkelijkheid van leren door een gepolijste maar meer begrijpelijke representatie ervan. We fotograferen Eva's ontwikkeling in plaats van erbij aanwezig te zijn.
Berger en Sontag zijn zo waardevol omdat ze iets fundamenteels blootlegden over hoe we kijken, wat we zien, en vooral: wat we niet zien doordat we op een bepaalde manier kijken. Hun werk gaat over blinde vlekken; over wat onze blik uitwist door de manier waarop hij is getraind.
En stages (onze perceptie ervan) zitten vol van dat soort blinde vlekken. We zien 'capaciteitsproblemen' maar niet de afwezige aandacht. We zien 'onduidelijke leerdoelen' maar niet de onmogelijkheid om ervaring vooraf te definiëren. We zien 'slechte begeleiding' maar niet het gebrek aan tijd, ruimte en erkenning voor pedagogisch vakmanschap. Al die dingen zijn onzichtbaar in onze huidige blik; niet omdat ze er niet zijn, maar omdat ons perspectief ze uitfiltert.
Dus pak ik Sontag en Berger erbij, omdat ze ons helpen anders te kijken naar iets waar we al zo lang naar staren dat we zijn vergeten dat kijken een keuze is. Berger vraagt: wie mag bepalen wat we zien? Sontag vraagt: wat raken we kwijt als we de werkelijkheid vervangen door haar afbeelding?
Die vragen zijn urgenter dan ooit. Want onze wereld is overspoeld met beelden, veel meer dan die van Berger en Sontag ooit was. Denk aan data, dashboards, metrics, profielen. We zijn gewend geraakt alles te willen zien ( liefst in real-time, liefst gemeten, liefst gevangen in een mooi grafiekje.) En we vergeten steeds vaker de vraag: zie ik nu de werkelijkheid, of alleen een voorstelling ervan die me vooral geruststelt?
Laten we de stage nemen. We hebben haar bedekt met zo veel systemen, formulieren en protocollen dat we niet meer zien wat eronder ligt: een mens (een student) die probeert om iets te leren, en een andere mens die probeert te begeleiden, en een fragiele relatie daartussen die niet te standaardiseren valt.
Laten we dus even stoppen met nóg beter willen organiseren. En beginnen met anders willen kijken.
Wat hieronder volgt is dus geen handleiding. Het is een perceptie-oefening(een kijkoefening) Een poging om zichtbaar te maken wat onze huidige blik verbergt. En als dat lukt, als we even kunnen zien hoe we kijken dan kunnen we misschien ook anders gaan handelen omdat we dingen anders gaan zien.
I. Berger's Vraag: Wie Kijkt Hier Eigenlijk?
"The relation between what we see and what we know is never settled." , John Berger
Begin met de simpelste vraag: wanneer we naar een stagiair kijken, wat zien we dan? Een toekomstige collega? Een leerling? Goedkope arbeid? Een projectrisico? Een diversiteitskansje voor de Instafeed of subsidie? Een potentiële winnaar voor de talentpool?
Het antwoord hangt af van wie kijkt. De HR-manager ziet iets anders dan de werkvloerbegeleider. De directie ziet weer iets anders dan de stagiair zelf. En deze verschillende blikken zijn niet gelijkwaardig. Ze hebben verschillende macht. De blik van bovenaf; vanuit management, vanuit beleid, vanuit 'strategische personeelsplanning' is de blik die telt. Die bepaalt hoeveel stageplekken er komen, onder welke voorwaarden, met welke verwachtingen.
Berger liet in Ways of Seeing zien hoe olieverfkunst was doordrenkt van bezit. Portretten toonden niet alleen mensen, maar eigendom. De bontjas, het landgoed, de houding alles demonstreerde: dit is van mij mottafukka’s De blik van de schilder was de blik van de bezittende klasse. Het schilderij was nooit neutraal. Het was altijd propaganda voor een bepaalde economische orde. Als je naar de nachtwacht kijkt dus vrijvertaald naar propaganda van de elite.
Er gebeurt iets soortgelijks met stages. We kijken naar Eva niet als iemand die een eigen ontwikkelingsproces doormaakt, maar als middel. Middel tot instroom. Middel tot verjonging. Middel tot een sterk imago. De taal verraadt het: we hebben het over 'stagiairs inzetten', over 'het rendement van stages', over 'het benutten van stagecapaciteit'. Dit is de taal van instrumentalisering. Van bezit.
En wanneer je iets bezit, of denkt te bezitten dan ga je het controleren. Vastleggen. Beheren. Je wilt zekerheid. Voorspelbaarheid. Rendement. Dus creëer je fijne systemen: stageprogramma's met duidelijke fases, competentielijsten met meetbare indicatoren, evaluatieformulieren met cijfermatige uitkomsten. Je denkt dat je zo grip krijgt op kwaliteit. Maar wat je werkelijk doet is de ervaring vervangen door het beeld van de ervaring.
Berger noemde dit "mystificatie" ; de manier waarop we verhullen wat er werkelijk speelt door het in een esthetisch of technisch jasje te steken. We praten over 'professionalisering van stagebeleid' alsof dat neutraal en vooruitstrevend is. Maar achter die taal zit een heel concrete vraag: wie bepaalt wat waardevol is? En het antwoord is: niet Eva op haar stoel . Niet de begeleider op de werkvloer. Maar het management, het curriculum, het systeem. De mensen op die posities bepalen wat een 'goede' stage is. Wat 'leren' betekent. Wanneer iemand 'klaar' is.
Die ongelijkheid; in wie mag kijken, in wiens blik telt is niet toevallig. Het is de structuur die dat bepaald. En zolang we die structuur niet benoemen, blijven we praten over symptomen.
II. Sontag's Waarschuwing: De Foto als een soort nepcontact.
"To collect photographs is to collect the world."; Susan Sontag
Sontag toonde aan dat fotografie een dubbele leugen verkoopt.
1: De leugen van nabijheid: je bent erbij geweest, je hebt het gezien.
2: En de leugen van begrip: omdat je het gezien hebt, begrijp je het.
Maar een foto van hongerende kinderen in Gaza geeft je geen werkelijk begrip van hongersnood. Het geeft je een consumeerbaar beeld dat je raakt voor drie seconden en dan opbergt. De camera belooft toegang maar levert eigenlijk vooral afstand. Je hebt de foto, dus hoef je niet meer werkelijk aanwezig te zijn. Je kunt het leed van de wereld verzamelen in een album, zonder ooit besmeurd te raken door de werkelijkheid ervan. Hartje op insta. Klaar.
Precies dit mechanisme zie je bij stages. We fotograferen het leerproces. We maken competentieportfolio's ; een verzameling snapshots van 'wat Eva kan'. We organiseren evaluatiemomenten; periodieke fotosessies waarin de ontwikkeling wordt 'vastgelegd'. We creëren leerdoelen, zeg maar fotografische poses waarin Eva zich moet schikken om aan te tonen dat ze groeit.
En dan denken we: we hebben het in beeld; We hebben haar ontwikkeling gedocumenteerd, dus weten we dat ze zich ontwikkeld heeft. We hebben het stageproces in kaart gebracht, dus hebben we het leerproces geborgd.
Maar wat we hebben is geen leerproces. Het is een representatie van een leerproces. Een verzameling foto's. En zoals Sontag schreef: foto's vertellen je niet hoe iets voelt, ruikt, weegt. Ze tonen alleen een oppervlak. Een geënsceneerd moment. Een pose.
Het werkelijke leren; dat moment waarop Eva plotseling begrijpt waarom haar collega zo geïrriteerd reageert op late mails, of waarom een klant niet zegt wat hij bedoelt, of hoe je aanvoelt wanneer je een gesprek moet escaleren naar de manager en dat Macha echt heel goor is, dat leren laat zich niet fotograferen. Het gebeurt in de tussenruimtes. In momenten die je niet kunt plannen. In ervaringen die pas achteraf betekenis krijgen. Het valt buiten het frame van de foto.
Sontag waarschuwde dat we in een wereld van beelden zijn gaan geloven dat representatie voldoende is. Dat we denken iets te begrijpen omdat we het hebben afgebeeld. Maar een beeld is geen ervaring. Het is hooguit een herinnering aan een ervaring, of erger: een substituut ervoor.
Kijk naar wat er gebeurt in onze stage-evaluaties. Een begeleider vult een formulier in. Eva schrijft een vuistdikke reflectie vol leerdoelen en halfbakken zelfinzichten die zijn opgerekt om tot het vereiste aantal woorden te komen. Er wordt een cijfer gegeven. En dan is het 'afgerond'. We hebben het leerproces gefotografeerd, dus hoeven we er niet meer bij aanwezig te zijn. Het portfolio zegt: hier heeft leren plaatsgevonden. Maar of dat ook echt zo is; of Eva werkelijk is veranderd, of ze wijzer is geworden, of ze zich gesteund voelde, dat staat er niet in. Dat zie je niet op de foto.
III. Wat onze blik wegpoetst
Je ontkomt er niet aan dat als je door een bepaalde lens kijkt, je sommige dingen scherp ziet maar andere helemaal niet. De instrumentele blik ; die van HR, van efficiency, rendement, alles netjes geordend maakt bepaalde aspecten van stages onzichtbaar. Niet omdat ze niet belangrijk zijn, vaak zijn juist die onzichtbare zaken heel belangrijk, maar omdat ze niet passen in het raster.
De ‘temporaliteit’ van groei. Sommige dingen moet je gewoon lang gezien hebben voordat je ze snapt. Je kunt iemand in drie maanden leren hoe een spreadsheet werkt. Maar niet hoe politiek gespeeld wordt. Niet wanneer je je mond moet houden. Niet hoe je de onuitgesproken spanning in een team leest. Je voelt de spanning in de kamer direct, maar hoe ga je daarmee om? Dat leer je niet in een half uurtje.
Dit vraagt tijd. Saaie, ogenschijnlijk weinig productieve tijd waarin je vooral observeert. Waarin weinig meetbaars gebeurt. Waarin Eva vooral naast iemand loopt en kijkt, vraagt, probeert te begrijpen. Deze fase, ik noem dat de osmose-fase is cruciaal. Maar ze verdwijnt uit onze agenda omdat je die fase niet kunt vangen in lekker concrete SMART leerdoelen. Je kunt niet van tevoren zeggen: "In week vier moet je de teamdynamiek begrijpen." Dat begrip komt wanneer het komt. Of het komt helemaal niet (je weet precies wie in jouw omgeving dat nog altijd niet snapt)
Onze systemen hebben daar geen geduld voor. Ze vragen: wat heb je geleerd? Wat kun je nu dat je toen niet kon? En Eva moet dan iets verzinnen dat meetbaar klinkt, zelfs als het echte leren veel vluchtiger was: een gevoel, een nuance, een besef. Vraag iemand iets te bedenken omdat je dan een diploma krijgt en reken maar dat je een schitterend reflectie verslag krijgt, ook al slaat het als een tang om een varken.
De relationele voorwaarden. Leren gebeurt tussen mensen. Het vraagt vertrouwen ; de moed om domme vragen te stellen, om toe te geven dat je het niet snapt, om een fout te maken zonder direct afgerekend te worden; blunderruimte noem ik dat. Dat vertrouwen bouw je niet op via protocollen. Het ontstaat door kleine dingen: een inside grapje die je deelt met elkaar , een moment van frustratie dat samen wordt doorstaan, een collega die zonder oordeel uitlegt hoe iets werkt.
Dit is relationeel kapitaal, en het laat zich niet administratief genereren in excel. Je kunt een begeleider aanwijzen, maar niet afdwingen dat er een vertrouwensband ontstaat. Je kunt gespreksmomenten inplannen, maar niet garanderen dat er werkelijk ook inhoudelijk gesproken wordt. Vertrouwen heeft tijd nodig, en gemeenschappelijke ervaringen, en de ruimte om ook eens samen te falen.
Maar de meeste systemen doen alsof dit vanzelf gaat. Ze schrijven voor: "De stagiair heeft een vaste begeleider." Alsof dat voldoende is, stagebegeleiding geregeld: check! Alsof begeleiding een functie is in plaats van een relatie. Alsof je kunt begeleiden tussen de bedrijven door, in de marges van je agenda, terwijl je eigenlijk iets anders moet doen. Dat is geen begeleiden. Dat is gepland onbegrip.
De pedagogische vaardigheid. Begeleiden is vakmanschap.
Het is timing: weten wanneer je moet ingrijpen en wanneer je iemand moet laten spartelen.
Het is taal: kunnen verwoorden wat je intuïtief doet zodat een ander het kan leren.
Het is geduld (of moed) : ruimte geven aan fouten die je in drie seconden had kunnen voorkomen.
Het is empathie: aanvoelen wat iemand nodig heeft ; een extra zetje in de goede ri thing , een compliment, een uitdaging, een ‘komt wel goed’.
Die vaardigheid wordt nergens erkend, geleerd of beloond. Sterker nog: Ze wordt verondersteld. "Je bent zo ervaren met je tien jaar ervaring, dus kun je ook wel begeleiden." Maar ervaring in je vak betekent niet dat je kunt uitleggen hoe je het doet. Sterker: de beste vakmensen zijn vaak het slechtst in uitleggen, omdat ze hun kennis hebben geautomatiseerd. Het is hen vanzelfsprekend geworden. En wat vanzelfsprekend is, is het moeilijkste te verwoorden.
Dus gebeurt er iets dat ik alleen maar tragisch kan noemen: ervaren mensen worden gevraagd te begeleiden zonder dat ze ooit hebben geleerd hoe dat moet. Ze doen hun best. Ze zijn welwillend. Maar ze hebben geen taal voor wat ze weten, geen tijd om het goed te doen, en geen erkenning als het wél lukt. Het is geen onderdeel van hun takenpakket. Het is iets wat "erbij komt". En wat erbij komt, komt er meestal niet van. Zeker niet als de student je aankijkt alsof je Chinees praat.
IV. De pornografische logica
Sontag heeft een behoorlijk provocerende stelling was dat we naar pijn zijn gaan kijken zoals naar pornografie: je wordt er kort door geraakt, dan consumeer je de volgende afbeelding. Het lijden wordt geabstraheerd tot een esthetisch object. Je voelt even iets, maar het verandert niets aan je eigen positie. Je bent toeschouwer, geen deelnemer.
Dit is natuurlijk nogal grof om te zeggen, en lekker chargerend want daar hield Sontah van , maar onze stage-systemen vertonen best vaak dezelfde logica. We consumeren Eva's leerproces. We bekijken haar portfolio, lezen haar reflecties, evalueren haar competenties. We zien dat ze zich ontwikkelt, voelen misschien zelfs even tevredenheid dat het goed gaat. Maar zitten we echt naast haar? Voelen we haar onzekerheid? Weten we wat er 's avonds door haar hoofd gaat als ze probeert uit te vogelen wat iedereen behalve zij lijkt te snappen? Of horen we alleen ‘gaat goed’ bij de koffie automaat terwijl we tussendoor ‘hoe gaat het’ vragen terwijl we onderweg zijn naar onze volgende klus ?
Meestal dat laatste, laten we eerlijk zijn. We bekijken haar door een lens. Op afstand. ‘Gemedieerd’door formulieren en gesprekscycli. Het is veilig. Het is beheerst. Het is geen echte ontmoeting. Vluchtig. Risicoloos.
Een echte ontmoeting zou vragen dat ook de begeleider iets riskeert. Dat hij tijd investeert zonder garantie dat het rendeert. Dat hij zich kwetsbaar opstelt: toegeeft wat hij zelf nog niet weet, laat zien waar hij twijfelt. Dat hij niet alleen observeert maar ook gezien wordt.
Sontag maakte onderscheid tussen pornografie en erotiek. Pornografie is eenzijdig: je consumeert een beeld zonder wederkerigheid. Erotiek is relationeel: beide partijen zijn aanwezig, kwetsbaar, responsief. Onze stage-systemen zijn in deze manier van kijken pornografisch geworden. We willen het leerproces zien, vastleggen, beoordelen; maar we willen er niet werkelijk in betrokken raken. Want betrokkenheid is duur, onvoorspelbaar, vermoeiend.
Dus doen we alsof het portfolio voldoende is. Alsof de evaluatie waarvan we beiden stiekem weten dat het een hoop gebakken lucht is alles zegt. Alsof je iemands groei kunt begrijpen door naar een reeks documenten te kijken. Het is de illusie van nabijheid. De suggestie van begrip. Maar het is schijn.
V. Berger's alternatief: De Democratische blik.
Berger geloofde in een andere manier van kijken. Niet de blik van bezit, maar van herkenning. Zijn manier van naar kunst kijken was relationeel: hij vroeg niet wat een schilderij waard was, maar wat het deed met mensen, hoe het hun blik op de wereld veranderde.
Hij wilde kunst vooral "teruggeven" aan gewone mensen. Weghalen bij experts en critici die bepaalden wat je moest zien en hoe je het moest waarderen. Hij filmde zijn serie Ways of Seeing niet in een museum maar in een gewone huiskamer. Hij liet kinderen naar schilderijen kijken en vertellen wat ze zagen, zonder voorkennis, zonder autoriteit. En wat bleek? Ze zagen dingen die experts over het hoofd zagen. Niet omdat ze slimmer waren, maar omdat ze anders keken.
Toegepast op stages: wat als we niet zouden kijken naar wat Eva oplevert, maar naar wat er gebeurt tussen haar en haar omgeving? Wat als we het leerproces zouden zien niet als individuele ontwikkeling die moet worden gemeten, maar als een relatie die tot stand komt of mislukt?
Dan worden andere vragen relevant:
Wordt Eva gezien? Niet geobserveerd, niet geëvalueerd, maar werkelijk gezien: als iemand met angsten, ambities, een eigen tempo? Iemand die meer is dan de som van haar competenties?
Is er iemand die haar begeleidt niet als taak maar als zorg? Iemand die zich verantwoordelijk voelt, niet voor de evaluatie maar voor het welslagen? Iemand die 's avonds nog even denkt: hoe zou het met Eva zijn? Snapt ze het een beetje? Voelt ze zich welkom?
Wordt er ruimte gemaakt voor traagheid? Voor het moment waarop nog niks klopt, voordat het plotseling gaat klikken? Voor de fase waarin Eva vooral observeert, zonder dat we al vragen wat ze heeft "bijgedragen"?
Deze vragen zijn niet meetbaar. Best vaag en ongrijpbaar vaak. Ze leveren geen data op. Maar ze bepalen wel of een stage transformerend is of alleen maar te doorstaan. En als we deze vragen zouden stellen; écht stellen, niet als checklist maar als voortdurende aandacht dan zou het gesprek over stages er heel anders uitzien.
VI. Het Ontwerpprincipe: Ruimte in plaats van rasters
Berger schreef dat kijken een keuze is. Je kunt kijken zoals de markteconoom; wat levert dit op? of zoals de pedagoog; wat is nodig om te groeien? Die twee blikken zijn niet te samen met elkaar verzoenen. Ze vertalen zich in compleet verschillende praktijken.
De hedendaagse stage is meestal ontworpen vanuit de eerste blik. Daarom hebben we strakke schema's, heldere output-verwachtingen, meetbare competenties. Het is de al decennia toegepaste logica van industriële productie op menselijke ontwikkeling. We willen grip. Voorspelbaarheid. Kwaliteitsborging. En we krijgen eigenlijk vooral wat we niet willen: lege rituelen. Vermoeide begeleiders. Teleurgestelde stagiairs die voelen dat ze vooral een rol spelen in een script dat al was geschreven voordat ze binnenkwamen.
Waarom? leren volgt geen productieproces. Het volgt organische principes. Het heeft licht en voeding nodig, maar ook tijd en ruimte. En vooral: aandacht. Niet de aandacht van toezicht, maar van aanwezigheid. Iemand die dichtbij genoeg is om te zien wanneer iets stokt, maar niet zo controlerend dat elke beweging wordt voorgeschreven.
Dit vraagt een ontwerpprincipe dat haaks staat op onze reflexen:
Niet optimaliseren maar faciliteren. Niet de vraag: hoe halen we meer rendement uit stages? Maar: wat hebben goede stages nodig om te kunnen ontstaan? Dat is een fundamenteel andere vraag. De eerste leidt tot efficiency-protocollen. De tweede leidt tot het vrijmaken van tijd, tot het waarderen van pedagogisch werk, tot het creëren van werkelijke ruimte in agenda's.
Niet standaardiseren maar cultiveren. Erkennen dat elke stage anders is, omdat elke persoon anders is en elke werkcontext uniek. Je kunt geen protocol schrijven voor het moment waarop iemand begint te snappen hoe dingen werken. Je kunt wel een cultuur cultiveren waarin mensen voelen dat ze vragen mogen stellen, fouten mogen maken, tijd mogen nemen.
Niet meten maar herkennen. Niet constant documenteren wat er gebeurt, maar present zijn. Ervaren begeleiders weten vaak binnen een week of een stage werkt. Niet omdat ze een checklist hebben afgewerkt, maar omdat ze voelen of er een klik is. Of Eva zich op haar gemak voelt. Of de vragen dieper worden. Of er een soort natuurlijk ritme ontstaat. Dat gevoel? Dat is kennis. Maar het laat zich niet in cijfers uitdrukken. En omdat het zich niet laat uitdrukken in cijfers, telt het niet mee in onze systemen.
VII. De politieke vraag (Berger's erfenis)
Berger eindigde Ways of Seeing met de stelling dat kijken nooit zomaar kijken of onschuldig is. Het is altijd politiek. Het gaat over wie de macht heeft om te bepalen wat gezien wordt en hoe het geïnterpreteerd wordt. Over wiens ervaring telt en wiens wordt genegeerd. Over welke criteria van waarde we hanteren en wie die criteria bepaalt.
Toegepast op stages: wie heeft de macht om te bepalen wat een 'goede' stage is? Wat 'leren' betekent? Wanneer iemand 'klaar' is?
Nu is dat de organisatie rondom stages De school. Het systeem. Zij formuleren de eisen, zij evalueren, zij beslissen. Eva heeft vooral de plicht zich te voegen. Haar ervaring; wat ze werkelijk leert, wat ze mist, waar ze tegenaan loopt is ondergeschikt aan wat het systeem van haar verwacht. Ze moet haar leerproces gieten in vooraf gedefinieerde competenties, zelfs als wat ze leert daar niet in past. Dat is logisch als je dit vanuit het systeem bekijkt.
Maar wat als we de vraag zouden omkeren?
Wat als Eva zou bepalen wat ze wil leren? Niet willekeurig, niet vrijblijvend, maar in gesprek met haar begeleider. Wat als de organisatie niet zou vragen "wat kun je?" maar "wat heb je nodig?"?
Wat als begeleiders niet zouden worden afgerekend op hoe goed ze documenteren, maar op hoe goed stagiairs zich gedragen voelen? Op de vraag hoeveel stagiairs na hun stage zeggen: "Ik heb me gezien gevoeld. Ik mocht fouten maken. Ik ben gegroeid."
Wat als we ruimte zouden maken voor trajecten die niet passen in het standaard format? Voor een stagiair die langer nodig heeft. Voor een begeleider die besluit dat de aanpak niet werkt en eerlijk durft te zeggen: "Deze match met deze stagiair klopt niet, laten we iets anders proberen."
Dit klinkt bijna utopisch. Misschien is het dat ook. Maar Berger's punt is wel precies dat idee: Onze huidige manier van kijken; naar kunst, naar arbeid, naar wat ‘waarde’precies is, is niet een onontkoombaar natuurverschijnsel. Het is historisch gegroeid. Het dient bepaalde belangen. En het kan dus ook veranderen.
De vraag is alleen: willen we dat? Durven we af te stappen van de illusie van controle? Kunnen we het verdragen met elkaar dat leren meestal een rommelig gebeuren is, dat het zich niet laat plannen, dat sommige dingen gewoon tijd kosten, tijd waarvan we allemaal roepen dat we die niet hebben?
VIII. De obscene efficiency
Sontag schreef dat we leven in een cultuur die dood mooier vindt dan leven. Dat klinkt dramatisch en literair essayistisch met coltrui en pijp enzo, maar ze bedoelde iets heel concreets: we zijn verliefd op wat vast, definitief, beheersbaar is. We willen dingen kunnen vastleggen, archiveren, catalogiseren. Het vloeiende, levende, rommelige verdragen we niet.
De stage, in haar oorspronkelijke vorm, is in essentie een levend iets. Daarom proberen we haar te ‘doden’. We willen haar opzetten als een taxidermist met een Six Sigma belt. We willen de transformatie van jonge mensen van student naar starter zonder de bijbehorende verwarring. De groei zonder de pijn. Het resultaat zonder het proces. De bergtop zonder de klim.
De obsessie met 'efficiënte stages', met 'korte aanlooptijden', met 'directe inzetbaarheid'; eigenlijk is het obsceen. Het is een fundamentele miskenning van wat leren ís.
Want het klinkt niet erg bedrijfsmatig maar leren is verspilling. Je leest drie boeken om één zin te begrijpen. Je maakt twintig fouten om één gewoonte te doorbreken. Je zit drie maanden ergens naast een kamerplant om één cruciaal inzicht op te doen dat je nooit had kunnen plannen en wat eigenlijk weinig te maken heeft met de vaardigheden die school zo mooi als leerdoel opschreef. En het meeste wat je doet ; observeren, nadenken, proberen, aarzelen, twijfelen, bang zijn en tóch proberen levert op korte termijn niks meetbaars op.
Efficiency is de vijand van ervaring. Wat efficiënt is, is gestroomlijnd, zonder wrijving. Maar wrijving is waarmee je vuur maakt. Waar Eva op haar schuine stoel zit en niet helemaal weet hoe ze moet zijn? dát is het moment van mogelijkheden. Maak dat gemakkelijk en efficiënt met een checklist en je maakt het dood.
Sontag zou vragen: waarom willen we dit eigenlijk zo graag onder controle? Waar zijn we bang voor? En het antwoord is, denk ik: we zijn bang voor verspilling. Voor tijd die niet ‘rendeert’. Voor het doen van de investering zonder garantie. Voor de mogelijkheid dat iemand drie maanden bij ons is en daarna vertrekt zonder dat we daar iets aan overhouden.
Maar die angst; die economische, calculerende excel autoSom angst is precies wat het leren kapot maakt. Want leren vraagt juist dat je investeert zonder garantie op resultaat. Dat je geeft zonder direct terug te verwachten. Dat je ruimte maakt voor iets wat misschien nergens toe leidt, maar misschien ook tot iets magisch kan leiden.
IX. De politiek van aandacht
En via die route komen we bij de diepste laag van dit hele verhaal. Want waarom kunnen we dit idee niet verdragen? Waarom willen we zo graag meten, structureren, controleren?
Het is bedriegelijk simpel: Omdat aandacht macht is. En macht willen we reguleren.
Een stagiair die wordt begeleid door iemand die écht kijkt, die écht tijd neemt, die écht investeert; die ervaart een vorm van aandacht die zeldzaam is geworden. Kostbaar. Niet-schaalbaar. En daarom verdacht.
Want als we erkennen dat dit het enige is dat werkt, dan moeten we toegeven dat onze hele managementfilosofie van schalen, optimaliseren, standaardiseren faalt op het enige punt dat ertoe doet: het overdragen van kennis en wijsheid.
Wijsheid is ongelijk. Het vraagt om iemand die meer weet die tijd neemt voor iemand die minder weet. Niet omdat dat efficient is, maar omdat het noodzakelijk is. Het is een vorm van mentorschap die niet past in onze egalitaire spreadsheetfantasieën, ook niet in onze zelfsturende teams waar iedereen alles moet kunnen.
Dus wat doen we? We ontkennen het. We doen alsof stages 'zichzelf organiseren' via platforms en matches. Alsof leren gebeurt door modules en online trainingen. Alsof je een mentor kunt vervangen door een buddy-systeem en een inwerkinstructie en een vaste afspraak op vrijdag ochtend (als het uitkomt)
Het is allemaal leugens. Comfortabele leugens die ons uit de wind houden van een lastige waarheid: goede begeleiding is duur. Het kost tijd, energie, emotionele investering. En het rendeert niet altijd. Soms investeer je maanden in iemand die daarna weggaat. Soms klikt het niet. Soms lukt het gewoon niet, ondanks alle goede bedoelingen.
Maar de oplossing is niet: dan maar helemaal niet investeren. De oplossing is niet: dan maar alles protocolleren zodat we ons niet zo kwetsbaar hoeven op te stellen. De oplossing is: erkennen dat sommige dingen gewoon zo werken. Dat je wijsheid alleen overdraagt door aanwezig te zijn, door tijd te geven, door je nek uit te steken.
Einde: Terug naar Eva.
Eva zit op haar schuine stoel. Ze zit daar al het hele betoog dat ik hier aan het afsteken ben. En ze zal daar blijven zitten, want we kunnen verschillende dingen met haar doen, maar ze wegpoetsen lukt niet.
We kunnen haar beter fotograferen ; betere formulieren ontwerpen, scherpere competentieprofielen, meer evaluatiemomenten. Dan hebben we meer beelden, maar niet meer begrip. We vergroten de illusie van controle, maar de werkelijke ervaring verschraalt.
We kunnen haar rechter neerzetten: haar een normaal contract geven, haar integreren als teamlid, haar status geven. Dat lost praktische problemen op, maar maakt de stage tot niet meer dan een ordinaire bijbaan. Het bijzondere verdwijnt: die liminale positie tussen student en starter waarin je nog niet volledig verantwoordelijk bent maar wel al deelneemt. Waarin je mag aarzelen, vragen, proberen. Dat werkt niet.
Of we kunnen leren haar te zien.
Niet door een lens van rendement of competentie, maar als iemand die probeert haar eigen weg te vinden in een wereld die voor haar nog niet volledig leesbaar is. Als iemand die niet weet hoe hard ze mag praten in de vergadering, of wanneer een grap gepast is, of hoe formeel een mail moet zijn. Die al die rare, vage, onuitgesproken, niet opgeschreven codes nog moet leren die voor ons zo vanzelfsprekend zijn geworden dat we vergeten zijn dat het codes zijn.
Dat vraagt iets groots van ons: Dat we durven te kijken zoals Berger voorstelde: niet als bezitter maar als deelnemer. Niet als beoordelaar maar als reisgenoot.
Niet vanuit de vraag "wat levert dit op?" maar vanuit de vraag "wat heeft dit nodig?"
Het vraagt tijd die we denken niet te hebben. Aandacht die niet meetbaar is. Ruimte die niet direct rendeert. Geduld met momenten waarop niks lijkt te gebeuren. Vertrouwen dat er iets groeit, ook als je het (nog)niet ziet
De stage is geen foto. Het is een film die zich ontvouwt voor onze ogen. En films kun je niet begrijpen door één frame te bekijken, hoe scherp dat frame ook is. Je moet ze laten lopen. Je moet aanwezig blijven. Je moet meebewegen met wat er gebeurt, ook als dat niet past in je planning.
En soms , als je een beetje mazzel hebt, als de chemie klopt, als er genoeg ruimte en aandacht is gebeurt er iets magisch. Dan verandert iemand. Niet omdat het in het protocol stond, maar omdat er een ontmoeting plaatsvond. Omdat iemand haar zag. Omdat er tijd was. Omdat het even wat langer mocht duren.
Dat is geen efficiency.
Dat is gewoon: leren.
