Waarom stages mislukken
En wat er in de praktijk wél werkt
Waarom stages mislukken
(en wat in de praktijk wél werkt)
Iedereen is het erover eens dat stages belangrijk zijn, en toch gaat het opvallend vaak mis: studenten voelen zich verloren, begeleiders voelen zich overvraagd, scholen schrijven er beleid over en bedrijven maken afspraken, maar precies dat kwetsbare stuk in het midden (de dagelijkse ervaring van de stagiair ) blijft te vaak afhankelijk van geluk, timing en de vraag of er net iemand ademruimte heeft. Dat is zelden onwil. Dat is meestal ontwerp. En als iets een ontwerpfout is, kun je het ook opnieuw ontwerpen.
Stages mislukken dus niet omdat mensen niet geven om jongeren, maar omdat we het fenomeen stage behandelen alsof het een lichtgewicht versie van “gewoon werken” is, terwijl het in werkelijkheid een aparte toestand is: iemand komt binnen zonder context, met hoge verwachtingen, in een omgeving vol impliciete regels, en wij noemen dat dan een leerervaring. Dat is het ook; alleen niet altijd op de manier die we bedoelen.
Goede bedoelingen redden geen slecht ontwerp.
De grootste stagemythe: “We weten wat we van elkaar verwachten”
Veel stageproblemen beginnen niet met een conflict, maar met een stille misrekening: iedereen denkt dat de ander wel begrijpt “hoe we het hier doen”, terwijl juist die onuitgesproken regels later de grootste bron van frictie blijken. Bedrijven nemen aan dat studenten vragen stellen, studenten nemen aan dat begeleiding vanzelf komt, scholen nemen aan dat leren op de werkvloer wel ontstaat en vervolgens is er niemand die het echt checkt, want expliciet worden voelt ongemakkelijk over dingen die zogenaamd logisch zijn.
Tot het moment dat verwachtingen ineens meetlatten worden, en dan is het te laat om nog samen te ontdekken dat iedereen een andere film in zijn hoofd had. De student wordt afgerekend op normen die nooit zijn uitgesproken, de begeleider ergert zich aan gedrag dat vooral verwarring is, en de school krijgt een signaal terug dat “het niet lekker loopt” zonder dat iemand precies kan aanwijzen waar het begon.
Dit soort misverstanden ontstaan vaak door blinde vlekken: we denken dat we objectief kijken, terwijl we vooral bevestigen wat we al dachten te zien. Ik schreef daar uitgebreider over in mijn stuk over kijken, selectiviteit en stages omdat veel stagegedoe begint bij wat we niet opmerken.
Het begon niet bij motivatie.
Het begon bij stilte.
Onboarding is geen welkomstmail
Onboarding wordt vaak gezien als een welkomstding; laptop, rondleiding, “dit is de koffieautomaat”, daar is het fietsenhok, mooi he, maar voor stagiairs is onboarding vooral een decodeerproces: hoe werkt besluitvorming, wat betekent “af”, welke fouten zijn normaal, welke vragen zijn toegestaan, en vooral: wie helpt je als je vastloopt. Als je dit niet ontwerpt, gaat een stagiair de eerste weken niet leren maar overleven, en dat is alsof je iemand op zwemles zet door hem een boekje over drijfvermogen te geven en hem daarna in de Noordzee te duwen met de woorden: “Je redt je wel.”
Stagiairs vallen zelden uit omdat ze het werk niet aankunnen. Ze vallen uit omdat ze het systeem niet begrijpen — en omdat dat systeem vaak niet doorheeft hoeveel kennis erin verborgen zit. Goede onboarding begint daarom vóór dag één, met context, verwachtingen en een eerste ritme: dit is waar je begint, dit is wie je helpt, dit is wanneer we samen kijken hoe het gaat.
In mijn werk met het Emergent Internship Framework (EIF) draait onboarding niet om informatie-overdracht, maar om houvast: structuur die meebeweegt met de rommelige realiteit van werk, zonder extra papierwerk.
Een stagiair die eerst moet overleven, kan nog niet leren.
Waarom goede vakmensen soms worstelen met stagebegeleiding
Goed zijn in je vak maakt je niet automatisch goed in begeleiden, net zoals goed kunnen fietsen je nog geen goede instructeur maakt; je doet van alles op gevoel, opgebouwd uit duizenden herhalingen, en precies dat gevoel is voor een stagiair onzichtbaar. Experts slaan stappen over zonder het te merken, terwijl stagiairs juist over die ontbrekende stappen struikelen, omdat zij nog niet weten wat jij allang niet meer hoeft uit te leggen.
Dit is geen onwil. Het is afstand. Afstand in kennis, taal, tempo en vanzelfsprekendheden. Begeleiden is daarom een apart vak, omdat het vraagt dat je je eigen intuïtie weer “uitpakt” tot iets overdraagbaars: dit doe ik, daarom doe ik dit, en hier let ik op als het misgaat.
Begeleiding vraagt geen supermens.
Wel ontwerp.
De stageparadox
Organisaties zeggen dat ze stagiairs belangrijk vinden, maar behandelen begeleiding alsof het iets is wat je er wel “bij” kunt doen, en daarmee creëren ze hun eigen paradox: iedereen wil stagiairs, maar niemand heeft tijd voor stages. Begeleiding moet passen tussen overleggen, deadlines en ‘echt werk’, en zodra het druk wordt verdwijnt juist datgene wat een stage tot een leerervaring maakt: beschikbaarheid, ritme en aandacht.
Die spanning is zo voorspelbaar dat ik ’m de stageparadox ben gaan noemen. Niet om er een lekker vage theorie van te maken, maar omdat je ’m overal ziet: de intentie is er, de structuur niet. De oplossing zit dan ook niet in meer enthousiasme, maar in ritme dat blijft staan als het druk wordt ; vaste momenten voor feedback en afstemming die niet meteen verdampen zodra er iets urgents tussendoor komt.
Stages falen niet op maandag.
Ze falen op woensdagmiddag.
Waarom extra regels zelden betere stages opleveren
Als stages teleurstellen, volgt vaak hetzelfde reflex: meer kaders, meer formulieren, meer controle, alsof je een wiebelende stoel stabieler maakt door er een extra beleidsstuk onder te schuiven. Dat vergroot de naleving, maar zelden de kwaliteit, omdat je vooral meet wat makkelijk te meten is en niet wat de ervaring leerbaar, veilig en betekenisvol maakt.
Leren wordt niet beter omdat het vaker wordt afgevinkt. Leren wordt beter omdat het wordt opgemerkt, besproken en verbonden aan echt werk, in een relatie waarin iemand de stagiair serieus neemt en tegelijk het pad kleiner maakt: dit is wat je nu doet, dit is waarom het ertoe doet, en dit is wat “goed” hier betekent.
Omdat woorden hierbij vaak langs elkaar heen lopen, hou ik een stagewoordenboek bij, niet om slim te doen, maar om te zorgen dat we hetzelfde bedoelen als we het hebben over begeleiding, kwaliteit en professionaliteit.
Meer papier is zelden meer begeleiding.
Stages gaan over ervaring, niet over leerdoelen
We beschrijven stages graag als leertrajecten met competenties en doelen, en dat geeft houvast, maar zo beleven studenten het meestal niet. Voor hen zijn stages momenten van blootstelling: aan werkcultuur, aan verantwoordelijkheid, aan onzekerheid, aan de vraag of je mee mag doen en fouten mag maken zonder meteen als probleem te worden gezien.
De vragen die spelen zijn daarom zelden didactisch. Ze zijn praktisch en existentieel tegelijk: hoor ik hier, word ik serieus genomen, kan ik hier groeien, en is dit een plek waar ik mezelf zie werken? Als die ervaring klopt, volgt het leren vanzelf; als die ervaring wringt, redden leerdoelen het niet, hoe mooi ze ook zijn geformuleerd.
Je kunt geen leerdoel stapelen op een onveilig gevoel.
Wat goed werkende stages gemeen hebben
Succesvolle stages zijn vaak minder spectaculair dan gedacht, omdat ze niet draaien om sector, grootte of imago, maar om een paar saaie, krachtige dingen die consequent worden gedaan: verwachtingen worden expliciet gemaakt, onboarding begint op tijd, begeleiding heeft ritme, feedback is concreet, leren gebeurt zichtbaar in het dagelijkse werk, en stagiairs worden benaderd als toekomstige collega’s in plaats van tijdelijke risico’s.
In een van mijn projecten beschreef ik dit eens met een jazz-metafoor: geen strak stappenplan, maar wel akkoorden, tempo en duidelijke afspraken over wanneer je samen luistert en bijstuurt. Niet evalueren om te beoordelen, maar eerst samen criteria kiezen — en pas daarna praten over kwaliteit.
Een goede stage is een goed ontworpen werkweek.
Een andere manier om naar stages te kijken
Deze patronen zijn niet toevallig. Ze komen terug in onderzoek, gesprekken met studenten en de dagelijkse praktijk van organisaties die graag willen, maar vastlopen op drukte en impliciete aannames. Je kunt dat framen als “gedoe met jongeren”, of je kunt het zien als een ontwerpprobleem: hoe maak je een werkomgeving waarin leren kan ontstaan zonder extra managementlagen of spreadsheetreligie?
Deze manier van kijken ligt ten grondslag aan mijn werk: stages ontwerpen als samenhangende ervaringen in plaats van losse afspraken, met aandacht voor ervaring vóór beoordeling, structuur vóór motivatie en ontwerp vóór verwijt. Niet omdat studenten heilig zijn, maar omdat een omgeving zonder ritme en duidelijkheid voor niemand prettig werkt alleen noemen volwassenen dat dan “druk”.
Stages mislukken zelden willekeurig.
Ze mislukken voorspelbaar.
En voorspelbare problemen kun je herontwerpen.
Tot slot
Als een stageprogramma stroef loopt, zegt dat weinig over “deze generatie” en veel over het systeem waarin zij terechtkomt: hoeveel context krijgen stagiairs, hoe expliciet zijn verwachtingen, hoe stevig is begeleiding als het druk wordt, en of onboarding serieus wordt genomen als fundament in plaats van formaliteit.
Het goede nieuws: systemen zijn te veranderen, zonder grootse visies of nieuwe beleidslagen, maar met kleine, bewuste keuzes die leren mogelijk maken onder echte werkdruk. Daar beginnen goede stages. Niet bij het formulier. Bij het ontwerp.
Goede stages zijn geen toeval.
🔗Gebruikte interne links :
